Gember bleef onder de blauwe deur

Op dinsdag was de achterham op. Woensdag miste ik drie plakken kaas. Donderdagmorgen om halfzeven zag ik Daan, zes jaar, voor de open koelkast staan. Hij peuterde een plakje boterhamworst los en schoof het in de zak van zijn regenjas.

"Daan."

Hij verstijfde, schouders omhoog.

"Ik pak niks."

"Je stopt het in je zak."

"Het is niet voor mij," zei hij. "Het is voor Gember."

Wie Gember was, wist ik vijf minuten later. Daan trok me aan de mouw van mijn ochtendjas mee naar buiten, over de straat, naar het huis met de blauwe voordeur. Dat huis stond al sinds eind augustus leeg. De familie Van der Laan was naar Emmeloord verhuisd. De vensterbank aan de voorkant was kaal, het grind lag onkruidvrij.

Op de stoep voor die deur zat een rode kater. Een wit sokje aan zijn linkerpoot, een knik in zijn rechteroor. Hij zat met zijn rug naar de straat en keek naar de deurkruk. Niet naar de fietsers. Niet naar de bestelbus van de loodgieter. Alleen naar die kruk.

"Hij is er altijd," zei Daan. "Ik zie hem vanuit mijn slaapkamer."

Ik wilde iets verstandigs zeggen. Dat katten aan plekken hechten en dat hij heus een ander huis vond. Maar op dat moment reed een oude Volvo door de straat. De kater richtte zijn kop op en ging met zijn hele lijf naar voren. De auto reed door. Hij zakte terug en keek weer naar de kruk.

Ik zei niks.

Daan vroeg al twee jaar om een kat. Voor zijn verjaardag, voor Sinterklaas, zomaar op woensdagmiddag bij de Plus. Hij tekende katten in zijn rekenschrift, maakte ze van klei. Ik zei rustig nee.

"Een kat kost geld. Goeie brokjes zijn twaalf euro per maand."

"Dan hoef ik geen hagelslag."

"En wie doet de bak?"

"Ik."

"Je eigen sokken liggen altijd naast de wasmand."

"De kattenbak doe ik juist wel."

Ik hield vol. Tot ik in het voorjaar het bed van Daan verschoonde en onder zijn hoogslaper een schoenendoos vond. Er lag een handdoek in, dubbelgevouwen, plus een tennisbal en een plastic visje.

"Wat is dit?"

"Een bed."

"Voor wie?"

"Nou, voor de kat. Als hij komt."

Die doos bleef tot oktober onder zijn bed staan.

We gingen elke middag naar de stoep. Eerst bracht ik zelf een bakje, als Daan op school zat. Daarna liepen we samen. Daan droeg het water in een plastic flesje. Hij was trots dat hem het water was toevertrouwd, want dat kon het makkelijkst over de rand klotsen.

De kater liet ons niet dichtbij. Hij deed drie stappen opzij, ging zitten en wachtte tot wij het eten neerzetten en achteruitliepen. Dan at hij snel, zonder op te kijken. Daarna liep hij terug naar de stoep en keek weer naar de kruk.

Daan praatte vanaf een veilige afstand tegen hem. Hij hurkte, handen op zijn knieën.

"Gember, wij aten vandaag stamppot. Gatver. Dat lust jij ook niet."

De kater knipperde met zijn ogen.

"Gember, heb je het koud? Het vriest al op de plassen."

Het was eind oktober. 's Ochtends lag er rijp op de trampoline in de achtertuin, en Daan trapte elke plas op weg naar school kapot met zijn laarzen. De verwarming stond aan, ik had zijn winterjas van zolder gehaald. En die kater zat op beton.

Buurvrouw Ria riep over de schutting: "Die hebben ze nooit meegenomen. Hij kwam hier drie jaar geleden aanlopen. Zwervertje, zeiden ze. Die redt zich wel."

Zich wel redden. Ik herhaalde dat in mijn hoofd.

We brachten een grote doos van de wasdroger naar de stoep. Ik legde er een oude plaid in, met de opening naar de muur, en zette er een halve baksteen op zodat de wind hem niet meenam. De kater liep er twee keer omheen. Snuffelde aan de rand. Keek naar binnen zoals je in een vreemd huis kijkt.

En ging ernaast liggen.

"Waarom gaat hij er niet in?" vroeg Daan.

"Hij is bang dat hij niet ziet wanneer ze terugkomen."

Dat was het eerlijkste antwoord dat ik kon bedenken.

De volgende avond scheurde Daan een blad uit zijn rekenschrift. Hij schreef met potlood, de punt van zijn tong tussen zijn tanden:

ALS JULLIE TERUGKOMEN, NEEM GEMBER MEE. HIJ WACHT AL WEKEN.

We plakten het vel met tape op de blauwe poort. Drie dagen hing het er, tot de regen het oploste.

Maandagavond bestelde ik een rond kattenbed met een hoge rand en een fleecebodem. Daan volgde de bezorging alsof er een donorhart onderweg was. Toen het bericht kwam dat het pakket bij het afhaalpunt lag, stond hij binnen een minuut klaar. De doos was bijna net zo groot als hij. Hij droeg hem zelf, schuin over straat, en botste tweemaal tegen een geparkeerde bakfiets.

We zetten het bed in de kartonnen doos en stopten de plaid eromheen. De kater keek vanonder buurvrouw Ria's ligusterhaag naar ons, met een gezicht waarop niet veel goeds stond.

"Wij moeten weg," zei ik. "Bij ons komt hij niet."

We deden een paar stappen terug tot aan de poort. De kater liep naar de doos. Hij snuffelde lang aan de rand. Zette één poot erin, toen de tweede. Hij trappelde met zijn voorpoten, zoals katten doen als ze controleren of iets echt is. Toen ging hij liggen. Echt liggen: opgerold, staart over zijn neus, ogen dicht.

Daan kneep in mijn vingers.

"Mam, hij slaapt."

"Ja."

"Dat betekent dat hij niet meer wacht?"

Ik keek naar dat rode hoopje in de doos. Ik kon Daan niet uitleggen dat een dier soms stopt met wachten, niet omdat het goed gaat, maar omdat de kracht gewoon op is.

In de nacht van woensdag op donderdag regende het hard. Geen miezer, maar zo'n plens dat het water tegen het dakraam sloeg en in de tuin bleef staan. Ik werd om twee uur wakker. Op de overloop brandde licht. Daan stond bij de voordeur in pyjama en rubberlaarzen op blote voeten.

"Waar ga jij naar toe?"

"Naar Gember. Het karton wordt nat."

"Het is midden in de nacht."

"Ja, en? Voor hem is het ook nacht."

We gingen samen. Ik droeg de grote paraplu en de kattenmand die ik van buurvrouw Ria had geleend. Daan had een plakje boterhamworst in zijn knuist.

De kater zat in de doos, poten onder zich. De plaid was droog, maar de kartonnen wanden waren al week aan het worden. Hij keek naar ons.

Ik zette de open mand neer, deed de deur open en stapte achteruit.

Hij stond op. Strekte zich uit. Liep langs mij, langs Daan, langs de open mand. Toen bleef hij staan. Hij keek nog één keer naar die blauwe deur, met de regen in zijn oren. Daarna stapte hij naar binnen.

Thuis verdween hij meteen achter de wasmachine en bleef daar tot de ochtend. Ik zette water en brokjes neer en liet hem met rust.

Om zeven uur maakte Daan me wakker, trekkend aan mijn schouder.

"Mam. Kom kijken. Voorzichtig."

De kater lag in Daans kamer. Niet in het nieuwe kattenbed dat we naast de radiateur hadden gezet. Niet op zijn bed. Hij sliep in de schoenendoos, op de dubbelgevouwen handdoek, naast het plastic visje. In de doos die sinds het voorjaar onder het hoogslaper had staan wachten.

Daan hurkte neer, wangen op zijn handen. Hij keek minutenlang. Toen zei hij op de toon waarmee een kind van zes een besluit aankondigt:

"Zo. Nu ben je thuis."

Die ochtend belde ik de dierenkliniek aan de Achtergracht. De assistente had om halfelf nog een plek. Gember ging in de mand, Daan mocht mee. De veearts haalde een scanner over zijn schouder. Het chipnummer was geregistreerd op naam van familie Van der Laan, het huis met de blauwe deur.

De assistente belde het nummer uit het bestand en zette de telefoon op de luidspreker. Een vrouw aan de andere kant zei: "We dachten dat hij al lang weg was. Hij was eigenlijk nooit van ons."

De veearts schoof een formulier over de tafel. "Als u hem wilt houden, moet u hem overschrijven. Kost vijfentwintig vijftig."

Ik vulde mijn adres in, zette een handtekening en betaalde. De assistente gaf me een kopie. Op regel drie stond:

Gember, kater, rood, kortharig. Geregistreerd adres: Hertenkamp 14, Zwolle.

Toen we naar buiten liepen, begon het weer te regenen. Daan hield de mand dicht tegen zijn jas. "We hoeven hem nooit meer terug te brengen," zei hij.

De blauwe deur aan de overkant werd in maart verkocht aan een stel met een elektrische bakfiets. Er staat nu een andere auto op de oprit en in de tuin staat een trampoline. Bij ons staat in de keuken een tweede bak. Op de badkamer ligt een vreemde borstel. Op al mijn zwarte truien zitten rode haren, en geen rollers krijgen ze eraf.

Maar 's avonds ligt Gember op de vensterbank boven de verwarming, met zijn kop op zijn poten, alsof hij nooit ergens anders heeft gewoond.

Like this post? Please share to your friends:
Mass Effect
Leave a Reply

;-) :| :x :twisted: :smile: :shock: :sad: :roll: :razz: :oops: :o :mrgreen: :lol: :idea: :grin: :evil: :cry: :cool: :arrow: :???: :?: :!: