Zesenveertig dagen zonder één nacht in mijn eigen bed

Ravensburgstraat, Rotterdam-Zuid, kamer 4 van de neonatale intensive care in het Erasmus MC. Op het display naast bed twee staat 03:47. Sanne Verhoeven zit op de plastic stoel die inmiddels haar vorm heeft aangenomen en kijkt naar haar zoon Daan, geboren in week zesentwintig, negenhonderdtien gram bij de bevalling.

Buiten regent het tegen de ramen van de zevende verdieping. Ergens beneden rijdt een tram door de Groene Hilledijk, je hoort het niet, maar Sanne weet het gewoon — na zes weken kent ze het ritme van dit ziekenhuis beter dan het ritme van haar eigen huis. Ze weet welke verpleegkundige om vier uur koffie haalt bij het automaat op de tweede verdieping, ze weet dat de schoonmaakster op woensdag altijd te hard met de mop tegen de deurpost knalt.

Op de intensive care bestaat geen dag of nacht. De monitoren piepen door in een taal die ze nooit had willen leren, maar die nu de enige taal is die er nog toe doet: dat hoge piepje betekent een dipje in de saturatie, dat langere signaal is de hartslag die even hapert. Ze herkent het verschil met haar ogen dicht.

Haar man Bram werkt bij een installatiebedrijf in Barendrecht en komt na zijn dienst rechtstreeks hierheen, met zijn werkjas nog aan, ruikend naar koffie uit de bedrijfskantine en naar de regen. Hij pakt haar hand niet vast — dat doen ze hier niet meer, ze hebben geen fysieke troost meer nodig, alleen aanwezigheid. Hij gaat naast haar zitten en kijkt met haar mee naar het kleine borstkasje dat op en neer beweegt, veel te snel, veel te klein voor wat een lichaam eigenlijk zou moeten doen.

"Zuster Mieke zei dat z'n gewicht weer omhoog is," zegt Sanne. "Duizend tweehonderd nu."

"Dat is goed."

"Dat is goed," herhaalt ze, alsof ze het zelf ook nog moet geloven.

Bram trekt zijn jas uit en legt hem over de rugleuning van de stoel ernaast — geen plek voor hem om te gaan zitten, want die stoel staat er al zes weken en niemand heeft hem ooit gebruikt. Sanne staarde er de eerste week nog naar, alsof hij symbool stond voor iets, maar inmiddels merkt ze hem niet meer op.

Ze steekt haar hand door het rondje in de couveuse en legt haar wijsvinger tegen Daans handje. Zijn vingertjes zijn dunner dan rietjes. Hij grijpt niet, daar is hij nog te zwak voor, maar zijn huid tegen de hare voelt warm, en dat is genoeg om haar overeind te houden tot de volgende ronde bloedafname.

Om kwart voor vijf komt Mieke, de vaste verpleegkundige van de nachtdienst, met de uitslag van het bloedonderzoek. Ze zet geen koffie voor zichzelf neer, ze leunt niet tegen de muur zoals ze normaal doet als het goed nieuws is. Ze houdt het klembord tegen haar borst.

"De bilirubinewaarde is weer gestegen," zegt ze. "Dokter Alders wil hem onder de blauwe lamp, voor de zekerheid. Het is geen ramp, maar we willen er niet mee wachten."

Sanne voelt haar keel dichtknijpen op een manier die inmiddels bijna vertrouwd is. Zes weken geleden had ze nog gehuild bij zulk nieuws. Nu telt ze alleen nog maar: hoeveel dagen erbij, hoeveel gram eraf, hoeveel stappen terug van de deur die naar huis leidt.

"Hoe lang deze keer," vraagt Bram.

"Minstens achtenveertig uur onder de lamp. Dan zien we verder."

Ze knikken allebei, zoals je knikt bij het weerbericht — niet omdat het nieuws prettig is, maar omdat er niets anders op te knikken valt. Mieke blijft nog even staan, ze legt haar hand even op de rand van de couveuse, geen medisch gebaar, gewoon een gebaar tussen mensen, en loopt dan door naar bed zes, waar een tweeling van vierentwintig weken ligt.

Het is Bram die er als eerste over begint, ergens tegen zessen, als het eerste grijze ochtendlicht door de jaloezieën komt.

"M'n moeder belde gisteren. Ze vroeg wanneer we hem eindelijk mee naar huis nemen."

"Wat heb je gezegd?"

"Dat ik het ook niet weet." Hij wrijft met zijn duim over zijn horlogebandje, een gewoonte die hij pas sinds Daans geboorte heeft. "Ze snapt het niet. Ze denkt dat een couveuse hetzelfde is als een wiegje met een dekentje erover."

Sanne zegt niks. Ze denkt aan haar eigen moeder, die drie keer per week belt en elke keer vraagt of Daan al "normaal" ademt, alsof normaal een knop is die je gewoon omzet.

Om negen uur komt dokter Alders langs, een vrouw van achter in de vijftig met een leesbril op haar hoofd geschoven, die nooit om de zaak heen draait. Ze bekijkt de curve op het scherm, ze trekt met haar vinger de lijn van de saturatie na.

"De longen doen het beter dan vorige week," zegt ze. "Als de bilirubine daalt en hij blijft aankomen, kunnen we over misschien tien dagen praten over kangoeroeën, langere sessies. Daarna gaan we richting ontslag. Maar dat is een als, geen wanneer."

Tien dagen. Sanne schrijft het getal niet op, ze heeft geleerd dat getallen op dit soort afdelingen bijna nooit standhouden. Maar ze legt het toch ergens in haar hoofd neer, als een steen op de bodem van een rivier — iets om op terug te vallen als het water weer stijgt.

De weken erna gaan zoals de weken ervoor: soms twee stappen vooruit, dan weer een terug. Een longontsteking op dag drieënvijftig gooit alles overhoop, Daan moet terug aan de beademing, en Sanne slaapt die nacht voor het eerst sinds lang niet op de klapstoel naast het bed, maar op de vloer van de ouderkamer, met haar jas als kussen, omdat haar benen het gewoon niet meer hielden.

Bram neemt drie weken onbetaald verlof op, zijn werkgever moppert erover maar laat het toe. Sanne's collega's bij de bibliotheek in Rotterdam-Zuid sturen elke week een kaartje, ondertekend door het hele team, en op een dag ligt er een klein gebreid mutsje bij de post, gemaakt door een vrouw die ze nooit heeft ontmoet, een oud-collega van haar moeder.

Op dag negenendertig mag Sanne Daan voor het eerst op haar blote borst leggen, huid op huid, terwijl de kabels van de monitor nog steeds aan hem vastzitten als slierten van een marionet. Ze voelt zijn hartslag tegen haar sleutelbeen en voor het eerst in weken huilt ze niet van angst.

Op dag zesenveertig, een dinsdag eind september, zegt dokter Alders het woord waar ze zes weken op hebben gewacht.

"We gaan hem morgen loskoppelen van de monitor voor een proefperiode. Als dat achtenveertig uur goed gaat, en hij blijft zelfstandig drinken, dan mag hij naar huis."

Sanne staat op dat moment met een fles moedermelk in haar hand, opgewarmd tot exact zevenendertig graden zoals de verpleegkundigen het haar hebben geleerd, en ze zet hem neer voordat ze hem laat vallen.

De achtenveertig uur duren langer dan de zes weken ervoor bij elkaar, zo voelt het. Bram komt elke avond, ook al is hij inmiddels weer volledig aan het werk, en op de tweede avond, om acht uur, tekent dokter Alders het ontslagformulier. Ze schrijft het gewicht erop: tweeduizend driehonderdtien gram. Geen getal dat Sanne ooit zal vergeten.

Mieke helpt met het uittrekken van de laatste monitorplakkers, voorzichtig, met een watje met olie om de lijm los te weken van Daans huid. Ze zegt niets bijzonders, geen grote woorden, ze wikkelt alleen het autostoeltje-hoesje recht en controleert de gordel voor de derde keer, hoewel ze weet dat het al goed zit.

Bij de schuifdeuren van de afdeling, waar Sanne zes weken lang met lege handen doorheen is gelopen om weer naar de parkeergarage te gaan, loopt ze nu met het autostoeltje tegen haar borst geklemd. Bram loopt naast haar met de tas vol flesjes, mutsjes en het klembord met ontslagpapieren.

Buiten is het koud voor de tijd van het jaar, negen graden, en de wind waait vanaf de Maas recht de parkeergarage in. Sanne slaat haar jas om het stoeltje heen, niet omdat het nodig is, maar omdat haar handen iets moeten doen dat niet stilzitten is.

In de auto, op de A16 richting huis, zegt Bram niets. Hij rijdt langzamer dan normaal, hij mijdt elke hobbel in het wegdek die hij normaal niet eens zou opmerken. Sanne zit achterin, naast het stoeltje, met haar hand op Daans buikje, voelend hoe hij ademt zonder dat er ergens een piepje van een monitor bij hoort.

Thuis, in hun rijtjeshuis aan de Slinge, staat de wieg nog precies zo klaar als zes weken geleden, met het gebreide mutsje van de onbekende vrouw er al in gelegd. Sanne legt Daan erin, blijft er een paar minuten naast staan, gewoon kijkend, zonder dat er een scherm is dat haar vertelt of het goed gaat.

Het is stil in de kamer. Geen piep. Geen alarm.

Alleen zijn ademhaling, op en neer, op en neer — het enige geluid dat ze ooit weer wil horen.

Like this post? Please share to your friends:
Mass Effect
Leave a Reply

;-) :| :x :twisted: :smile: :shock: :sad: :roll: :razz: :oops: :o :mrgreen: :lol: :idea: :grin: :evil: :cry: :cool: :arrow: :???: :?: :!: