Ik heb dit nog nooit hardop verteld, dus laat het maar hier staan, anoniem, zonder dat iemand het aan mijn gezicht kan zien terwijl ik het typ.
Op het Christiaan Huygens College in Eindhoven zat ik in de vierde klas toen ik Wim voor het eerst zag, op het schoolplein, met zijn fiets tegen het hek. Hij zat een klas hoger. Ik wist zijn rooster beter dan mijn eigen agenda. Woensdagmiddag gym, donderdag laatste uur scheikunde bij meneer Dekkers, wiens stem je drie lokalen verder kon horen. Wij hebben nooit iets met elkaar gehad. Geen afspraakje, geen fietstochtje naar huis, zelfs geen echt gesprek. Voor mij was hij gewoon de jongen bij wie mijn maag omdraaide zodra hij de kantine binnenliep met zijn broodtrommel onder zijn arm.
Mijn vriendinnen wisten het, natuurlijk. Marloes stootte me altijd aan als hij langsliep, fluisterde er iets bij dat ik nu niet meer precies weet, en dan werd ik rood tot in mijn nek. Ik heb hem nooit iets gezegd. Ik was ervan overtuigd dat hij niet eens wist dat ik bestond — een meisje uit de rij achter hem bij de fotograaf op de eindexamendag, niks meer.
We studeerden af. Ik ging weg, samen met mijn ouders, die voor het werk van mijn vader naar Antwerpen verhuisden toen ik negentien was. Daar begon ik aan een opleiding verpleegkunde, bouwde een leven op met kamers die steeds groter werden, met een paar vriendjes die kwamen en gingen zonder veel sporen na te laten. Op een gegeven moment dacht ik niet meer aan die jongen met de broodtrommel. Hij had ongetwijfeld ook zijn eigen weg gevonden, zijn eigen leven, zonder ooit te vermoeden wat er bij mij had gespeeld.
Zeven jaar later verhuisden mijn ouders terug naar Nederland, en ik ging mee, terug naar Eindhoven, terug naar een stad die tegelijk vertrouwd en vreemd aanvoelde. Diezelfde winter — het was december, ik weet nog dat het buiten net begon te vriezen en de kerstverlichting aan de Vestdijk al hing — organiseerde de school een reünie. Alle lichtingen waren uitgenodigd, in een zaaltje boven café De Karpendonk, met bitterballen op tafeltjes en een dj die te hard muziek uit 2011 draaide.
Ik twijfelde lang of ik zou gaan. Met bijna niemand had ik nog contact. Maar mijn oude klasgenote Sanne belde me drie keer op een avond en liet niet los, dus ging ik. Ik had een jas aan die te warm was voor binnen en een glas witte wijn in mijn hand toen ik hem zag, aan de andere kant van de zaal, bij de statafel met de borrelnootjes.
Ik herkende hem meteen. Hij was natuurlijk niet meer die schooljongen — breder in de schouders, een stoppelbaard, een horloge dat ik niet kende. Ik dacht: we zeggen "hoi", we praten twee minuten over niks, en dan ga ik terug naar Sanne. Maar hij kwam naar me toe. Zei mijn naam alsof hij hem nog dagelijks gebruikte. En toen: "Waar was jij al die jaren?"
We praatten bijna de hele avond, terwijl de dj Bløf draaide en iemand achter ons steeds probeerde een polonaise op gang te krijgen die niet lukte. Op een gegeven moment zei Wim: "Na de diploma-uitreiking was je gewoon weg." Ik moest keihard lachen. In mijn hoofd dacht ik: hoe kan ik verdwenen zijn uit jouw leven, als ik niet eens wist dat ik er ooit in gestaan had?
De volgende dag appte hij me. Daarna elke dag. We spraken maandenlang, eerst via de telefoon, dan koffie bij een tentje aan het Stratumseind, dan een fietstocht langs het Eindhovens Kanaal. Na ongeveer zes weken noemden we het officieel.
Op een avond, toen we allebei genoeg vertrouwen hadden opgebouwd, bekende ik hem iets. Ik zei dat ik hem bijna de hele middelbare school stiekem leuk had gevonden. Hij keek me aan en barstte in lachen uit. Ik dacht dat hij me uitlachte. Tot hij zei: "Ik vond jou ook leuk."
Ik geloofde hem niet. Toen begon hij details te noemen die hij onmogelijk kon hebben verzonnen. Waar ik zat tijdens de schoolfeesten. Hoe hij soms expres een andere route door de gang nam, alleen om langs mijn lokaal te lopen. Hoe hij een paar keer een smoes had verzonnen om me aan te spreken, maar telkens afhaakte. Want ook hij had gedacht: ik maak geen schijn van kans.
We stonden allebei in de keuken van zijn appartement, te lachen en tegelijk een beetje boos op onszelf. Jarenlang hadden we elkaar op afstand bekeken. Geen van beiden had ooit die ene stap gezet.
Maar het vreemde is: geen van ons voelt dat we tijd hebben verspild. Ik heb geleefd. Gestudeerd. Andere mensen liefgehad. Hij had zijn eigen weg, met zijn eigen fouten en zijn eigen geluk. Misschien was het, als we het op ons zestiende al hadden geprobeerd, na een paar maanden uitgedoofd. Dat zullen we nooit weten.
Drie jaar na die reünie trouwden we, in het gemeentehuis aan de Stadhuisplein, met achttien gasten en een taart van de bakker op de Woenselse Markt. Dit jaar vieren we vijf jaar huwelijk. We hebben een tweeling van twee, Fenna en Tobias, die het hele huis op stelten houden en van wie we allebei tot over onze oren verliefd zijn.
Af en toe ruziën we nog, speels, over wie als eerste iets had moeten zeggen op school. Hij zegt: "Jij keek altijd alsof je niet aangesproken wilde worden." Ik antwoord: "En jij had altijd zo'n groep vrienden om je heen dat het onmogelijk leek om dichterbij te komen."
Laatst vonden we, tussen oude spullen in een doos op zolder, een foto van de diploma-uitreiking. We staan er allebei op. Ieder bij zijn eigen groepje. Behoorlijk ver van elkaar. Ik heb die foto niet weggegooid. Ik heb hem in een lijstje op het dressoir gezet, naast de verjaardagskaarten van de kinderen — want het blijft ongelooflijk om naar die twee jonge mensen te kijken en te weten hoeveel er al tussen hen speelde, terwijl geen van beiden ook maar vermoedde dat de ander precies hetzelfde voelde.
Gisteren, toen ik de foto weer even oppakte om af te stoffen, riep Wim vanuit de keuken dat de tweeling de vaatwasser weer had opengetrokken. Ik zette de foto terug, precies tussen de kaarten in, en liep naar binnen.
