De envelop met het notariszegel voelde zwaar in Hanna’s handen. Ze stond met Luuk voor een oud boerderijtje in Friesland, aan het water, met klimop tegen de bakstenen muren en een verweerde schuurpoort. De hond blafte ergens in de auto. De sleutelbos bungelde aan Luuks vinger.
‘Maak open,’ zei hij schor.
Hanna scheurde de envelop open. Het was een handgeschreven brief, de letters krachtig maar wat beverig.
*Lieve Luuk, lieve Hanna,*
*Jullie hebben mij een thuis gegeven toen ik niemand meer had. Nu geven jullie mij rust. Dit huis is van jullie. Zorg ervoor dat er hier altijd plaats is voor wie jullie liefde nodig heeft. Net zoals in jullie hart.*
*Jullie oom Henk*
Hanna slikte en veegde met haar mouw langs haar ogen. Oom Henk. Die vreemde, oude man die ze drie maanden geleden niet kenden.
—
Drie maanden eerder stond Luuk in zijn doktersjas op de gang van het Havenziekenhuis. De deur van kamer 14 viel achter meneer Hendriks in het slot. Luuks handen trilden. Hij had net gezegd dat de man nog twee, misschien drie weken te leven had. Meneer Hendriks had zijn oude aktetas gegrepen, geglimlacht en gezegd: ‘Het is goed, dokter. Ik heb lang genoeg geleefd.’
Maar Luuk kon het niet loslaten. Hij rende de trap af, de hal door, naar de uitgang. ‘Meneer Hendriks! Wacht.’
De man draaide zich om. Zijn grijze ogen stonden vriendelijk maar moe.
‘U zei dat u niemand had. Geen kinderen, geen familie.’
‘Dat klopt.’
Luuk haalde diep adem. ‘Ga alstublieft niet alleen naar huis. Kom met mij mee. Mijn vrouw Hanna en ik hebben een klein appartement, maar… we hebben plaats voor u.’ De woorden kwamen eruit voor hij er erg in had.
Meneer Hendriks keek hem lang aan. Toen knikte hij. ‘Je bent een rare dokter, Luuk.’
Die avond stond Luuk met de oude man in de deuropening van hun flatje op de vijfde verdieping. Hanna keek verbaasd van de vreemde man naar Luuk. ‘Schat, dit is meneer Hendriks. Hij blijft een tijdje.’
Hanna fronste even, maar toen ze Luuks smekende blik zag, stak ze haar hand uit. ‘Welkom. We hebben niet veel ruimte, maar we redden het wel.’
En zo trok meneer Hendriks bij hen in. De kat Tommie vond hem meteen aardig en streek langs zijn benen. De eerste week was onwennig. Op een avond, terwijl ze met z’n drieën zwarte koffie van Douwe Egberts dronken, begon meneer Hendriks te vertellen. Over de boerderij van zijn ouders in Friesland waar hij opgroeide, met uitzicht op eindeloze weilanden en een brede vaart. Over hoe hij als jonge kerel naar Rotterdam was gegaan en schepen had getimmerd in de havens. Zijn verhalen klonken alsof hij ze nog nooit aan iemand had verteld.
Na een week zei Hanna tijdens het ontbijt: ‘We hebben het steeds over meneer Hendriks, maar dat klinkt zo afstandelijk. Kunnen we niet gewoon oom Henk zeggen?’ De oude man keek op van zijn beschuit en glimlachte. ‘Doe maar. Zo voelt het nu eenmaal.’ Vanaf dat moment was hij oom Henk.
Op een zonnige zaterdag, nu twee maanden geleden, ging Hanna naar de markt. Ze was uren weg. Toen ze terugkwam, droeg ze een kartonnen doos in haar armen. Er klonk zacht gepiep. ‘Hanna, wat heb je daar?’ vroeg Luuk, terwijl hij opkeek van zijn administratie.
Ze zette de doos op de eettafel. Een zwart-wit hondje met flaporen en een natte neus stak zijn kop eruit. ‘Ik kon haar niet laten liggen bij de kaaskraam. Vijftien euro voor zo’n beestje, ze zat te rillen.’
‘Vijftien euro? We hebben al nauwelijks plaats!’ Luuk sloeg met zijn vlakke hand op tafel. ‘En wie neemt haar straks mee naar buiten als wij werken?’
Oom Henk stond op van de bank. ‘Ik wil wel voor haar zorgen, zolang ik er nog ben. Dan heeft ze een baasje.’ Hij nam het hondje over en het dier likte met zijn tong over zijn kin. ‘Hoe gaat ze heten?’
‘Guusje,’ zei Hanna.
Luuk zuchtte. ‘Tot ze groot genoeg is,’ mompelde hij. Maar de volgende ochtend gooide hij nog net op tijd zijn schoenen weg voor Guusje erop kon plassen. Oom Henk lachte hardop.
Vanaf dat moment waren ze met z’n vijven: Luuk, Hanna, oom Henk, Tommie en Guusje. Het appartement was een chaos van kluifjes, kattenbakkorrels en lege koffiemokken. De bankharen kon je zo uit de stofzuiger trekken. Maar ’s ochtends om half negen zat oom Henk al aan tafel met Guusje op schoot en vertelde hij over de Friese meren. Het was nooit stil.
Op een dinsdagochtend was hij verdwenen. Zijn bed was netjes opgemaakt, zijn aktetas weg. Geen briefje. Niets.
Ze zochten overal. Het park, de winkels, het ziekenhuis. Ze belden de politie, de gemeente. Maar oom Henk was spoorloos.
De eerste avond erop deed Hanna alsof ze tv keek, maar ze aaide Tommie met lange, mechanische halen. Luuk liep naar de kapstok waar oom Henks jas had gehangen en staarde naar de lege haak. Guusje lag voor de voordeur te janken, haar kop op haar poten. Niemand zei veel.
Zes weken later gleed er een dikke, crèmekleurige envelop in de bus. Een verzoek om de volgende dag om tien uur naar notariskantoor Van der Meer te komen. ‘Betreft: nalatenschap J. Hendriks.’
De volgende ochtend zaten ze in een statig kantoor aan de Coolsingel. Een oudere notaris met zachtmoedige ogen gaf hen een sleutelbos en een gesloten envelop.
‘Meneer Hendriks heeft alles tot in de puntjes geregeld,’ zei hij. ‘Hij had al maanden een plaats gereserveerd in een hospice in Zeeland. De ochtend dat hij bij u vertrok, heeft hij een taxi gebeld en is hij daarheen gereden. Hij heeft de politie zelf laten weten dat hij vrijwillig uit uw leven stapte, zodat niemand hem zou zoeken. Hij wilde niet dat u hem in zijn laatste dagen zo zag.’
Hanna sloeg haar hand voor haar mond. ‘Waarom zei hij niks?’
‘Omdat hij vond dat uw harten te groot waren voor een huilend afscheid. Hij zei dat hij wilde dat u hem herinnerde zoals hij was: de oude man die Guusje uitliet.’
—
En nu stonden ze hier, voor de Friese boerderij aan het water die hij zijn hele leven had aangehouden. De sleutel zat al in het slot. De brief in Hanna’s hand.
‘Oom Henk,’ fluisterde Luuk.
Ze duwden de deur open. Een ruime woonkamer met balkenplafond, open haard, een oude klok aan de muur. Tommie snuffelde aan de plinten. Guusje rende blaffend de tuin in, een graspol uitgroevend.
Luuk schraapte zijn keel. ‘Weet je nog dat je zei: tot ze groot genoeg is?’ Hij knikte naar Guusje. ‘Ze is groot genoeg nu.’
Hanna lachte, een korte lach met tranen erdoor. ‘Ze blijft,’ zei ze.
Ze liepen verder de kamer in. Naast de haard stond een lege schommelstoel, met een wollen plaid erover. Alsof oom Henk elk moment kon binnenstappen en vragen of de koffie klaar was.
Hanna legde de brief op de schouw. Buiten blafte Guusje naar een overvliegende meerkoet. De zon brak door de wolken. Ergens ver weg klonk de doffe toeter van een schip op het kanaal. De schommelstoel bewoog zachtjes in de tocht.
