De nacht dat Sanne weer eens bij Lotte aanklopte, had Lotte net de slaap te pakken. Niet met een appje, niet met een belletje. Nee, gewoon keihard bonzen op de deur van haar woonboot in de Oosterdokshaven. Half twaalf. De wind sneed over het water en de lantaarns wierpen strepen licht door de patrijspoort. Lotte deed open in haar ochtendjas. Sanne stond te klappertanden, mascara uitgelopen tot op haar kin. In haar ene hand een weekendtas, in de andere een sleutelbos die ze niet kon loslaten.
“Ik heb het gedaan,” hijgde ze. “Ik ben weggelopen. Echt weg. Voorgoed.”
Lotte zuchtte, draaide zich om en liep naar het keukenblok. Zonder iets te zeggen vulde ze de waterkoker en pakte de mok met het gebarsten oor — Sannes vaste mok. Die stond er nog van de vorige keer. Vijf weken geleden was dat. Toen was ze ook weggelopen. En de keer dáárvoor ook.
Sanne plofte neer op het bankje, sloeg een plaid om zich heen en begon te ratelen. “Weet je wat hij zei? Weet je wat Daan zei? Hij zei dat ik niet serieus met geld omga. Noemde me een verwend nest. Ik, Lotte. Ik. Ik werk me de pleuris in die salon van hem, ik sta de hele dag met mijn handen in het chloorwater, en dan is een nieuw horloge opeens te veel gevraagd. Alsof ik niks verdien. Alsof ik lucht ben.”
Lotte legde een schaaltje met stroopwafels voor haar neus. “Welk horloge?”
“Een Maurice Lacroix. Niets bijzonders, gewoon een paar duizend euro. Hij heeft vorige maand nog een oldtimer gekocht, een Alfa Romeo uit ’73, maar als ík eens iets voor mezelf wil, is de wereld te klein.”
“Een oldtimer waar jij elke dag in kan rijden,” zei Lotte. “En waarmee je klanten vervoert naar de trouwlocatie als ze willen. Dat is een investering in jullie bedrijf, Sanne.”
Sanne kneep haar ogen tot spleetjes. “Ben jíj nu ook al tegen me?”
“Ik ben niet tegen je. Ik ben voor jou. Maar jij hebt twaalf weken geleden besloten dat je een eigen zaak wilde beginnen, weet je nog? Daan heeft alles op alles gezet. Zijn erfenis van zijn vader erin gestopt. Jullie hadden één afspraak: geen impulsaankopen tot de tent uit de kosten is.”
“De tent, de tent. Het is altijd maar die tent. Ik ben zijn vriendin, Lotte, niet zijn boekhouder. Ik moet toch gewoon kunnen léven?” Sanne nam een hap van haar stroopwafel, maar kauwde met tegenzin.
Lotte schonk kokend water op en school de mok naar haar toe. Ze zei niets meer. Het had geen zin. Ze had deze scène al zo vaak gezien dat ze de dialogen kon meezeggen. Sanne voelde zich tekortgedaan, vluchtte, schold Daan uit voor gierigaard, en Lotte mocht de brokstukken oprapen. Voeden, kalmeren, masseren. En na een week kroop Sanne terug, met een nieuw stukje sieraad aan haar arm en een excuus van Daan dat hij wéér had toegegeven.
Die nacht sliep Sanne met haar tas nog ingepakt naast het logeerbed, klaar voor een snelle aftocht of een triomfantelijke terugkeer. Lotte lag wakker in haar eigen bed, starend naar de houten balken boven haar hoofd. Ze dacht aan de ochtenden dat ze Daan tegenkwam bij de groothandel voordat hij Sanne kende. Een stille, degelijke man die altijd een kop koffie voor haar betaalde, zelfs toen hij zelf nog geen rooie cent had. Ze dacht aan hoe hij keek, die avond dat hij Sanne voor het eerst zag in de kapperszaak van een vriend. Alsof de zon openging.
—
Zes dagen verstreken. Sanne lag elke ochtend tot tien uur in bed, hing ’s middags aan de telefoon met vriendinnen en liet overal sporen achter: lege cup-a-soup zakjes op het aanrecht, haarlakvlekken op de badkamerspiegel, een penetrante geur van nagellakremover die niet uit de kussens wilde trekken. Daan belde niet. Geen smsje, geen bloemetje, geen “sorry schat, het spijt me zo”. Radiostilte.
Op donderdagmiddag kwam Lotte terug van haar werk als interieuradviseur en stond Daan bij de steiger. Hij had zijn handen diep in de zakken van zijn werkjas en keek naar het water alsof hij wilde weten hoe diep het was.
“Jij hier?” zei Lotte.
“Ik moet even met je praten.” Hij wees naar het bankje aan de kade. Het bankje waar ze twee jaar geleden nog samen op hadden gezeten, die avond dat zijn moeder overleed en hij geen huis had om naartoe te gaan. Lotte had hem toen haar sleutels gegeven en was zelf bij een vriendin gaan slapen. Omdat hij het nodig had. Omdat hij altijd degene was die het nodig had, zonder er ooit om te vragen.
“Ik ga niet nog een keer voor jullie bemiddelen,” zei ze. “Echt, Daan. De grens is bereikt. Ik wil niet meer het wassenbeeld in jullie poppenkast zijn waar iedereen zijn frustraties op afreageert.”
“Dat vraag ik ook niet van je.” Hij draaide zich naar haar toe. Zijn ogen waren moe maar helder. “Ik ga het uitmaken.”
De wind viel stil. Een grachtboot gleed voorbij, de schipper stak zijn hand op naar Lotte, zij beantwoordde de groet op de automatische piloot.
“Wat bedoel je, je gaat het uitmaken?”
“Ik bedoel dat het over is. Voorgoed. Geen gesmeek meer, geen toegevingen, geen horloges. Ik ben er klaar mee.” Zijn stem brak niet, vibreerde niet. Het was de stem van een man die een besluit heeft genomen op een dinsdagmiddag om drie uur en er sindsdien niet meer aan twijfelt. “Ik heb haar de salon aangeboden.”
“Je wát?”
“Het is haar droom, toch? Laat haar dan zelf ontdekken wat het kost. Ik heb gezegd dat ze de tent mag hebben, inclusief de schuld. Ik neem het verlies. Beter nu met een blauwe plek dan over vijf jaar met een faillissement en een kind erbij.”
Lotte voelde haar hart sneller kloppen. Dit was nieuw. In alle vorige vertolkingen van deze soap had Daan nog nooit de stekker eruit getrokken. Ze wist niet of ze medelijden moest hebben of applaus.
“En Sanne?” vroeg ze.
“Die zit nog bij jou, neem ik aan.”
Lotte lachte schamper. “Alsof je dat niet wist.”
“Ik wist het. En daarom ben ik hier.” Hij stond op, sloeg het stof van zijn jas en liep naar de steiger. “Dank je wel, Lotte. Voor alles.”
“Je weet niet eens waar je me voor bedankt.”
“Dat weet ik wel.” Hij klom in zijn busje en reed weg, het raampje open, de radio zachtjes op Radio 4. Vivaldi.
—
Die avond, toen Lotte thuiskwam, zat Sanne op de rand van het logeerbed te huilen. Ze had het nieuws al gehoord van een vriendin die bij de salon werkte. “Hij dumpt me, Lotte. Hij dumpt me en geeft me die oude tent als aalmoes. Wíe doet nou zoiets?”
Lotte zette haar tas neer, trok haar jas uit en ging naast Sanne zitten. “Iemand die van je hield en jouw geluk belangrijker vond dan het zijne.”
Sannes gezicht verstrakte. “Wat weet jij daar nou van? Jij bent hartstikke alleen. Jij hebt nog nooit een man kunnen houden.”
De klap kwam aan, maar het was geen klap. Het was het geluid van een deur die na jaren eindelijk dichtviel.
“Dat is waar,” zei Lotte rustig. “Ik heb nooit een man kunnen houden. Maar misschien komt dat omdat ik nooit de verkeerde wilde vasthouden.” Ze stond op en liep naar de badkamer. In de spiegel zag ze Sanne achter zich verschijnen.
“Betekent dat dat je altijd al iets tegen Daan en mij had?” siste Sanne. “Jaloers? Was je al die tijd stiekem verliefd op hem?”
Lotte draaide zich om en keek haar vriendin recht aan. “Nee. Maar ik ga je nu iets zeggen wat ik vijftien jaar lang niet heb durven uitspreken. Jij bent niet weggelopen bij Daan omdat hij niet naar je luisterde. Jij bent weggelopen om hem te straffen. Omdat je niet kreeg wat je wilde. En dat werkt niet meer. Niet bij hem, niet bij mij.”
Sanne pakte haar weekendtas en stormde de woonboot uit, de koude avondlucht in. Twee tellen later hoorde Lotte het geratel van haar oude Fiatje de kade verlaten.
Ze wachtte tot het stil werd. Toen belde ze haar moeder in Leeuwarden. “Mam? Ik heb een sleutelkluis nodig voor bij de deur en wil je dat jij de code beheert? Dan heb ik een goed excuus als ik hem ben vergeten.”
—
Drie weken lang was het stil. De stilte die valt na een zomerbui, als de zon doorbreekt en de stoom van het asfalt slaat. Lotte werkte, kookte voor zichzelf, las boeken op de steiger met haar voeten boven het water, en hoorde alleen het klotsen van de golven tegen de romp. In de stad zag ze oude klanten van de salon, maar niemand sprak over Daan of Sanne. Het gerucht ging dat de salon een doorstart had gemaakt met een nieuwe naam — “Sans Pareil”, alsof Sanne de wereld wilde bewijzen dat ze geen man nodig had.
Op een vrijdag in mei, toen de vroege zomer de lucht vulde met de geur van lavendel van de drijvende plantenbakken, lag Lotte op haar knieën in haar moestuin aan dek. Ze hoorde voetstappen op de loopplank en keek op. Daan stond er, in een linnen overhemd dat ze niet kende, met een bos wilde bloemen en een doos bonbons van Holtkamp.
“Hallo,” zei hij.
“Ha die Daan.” Ze veegde de aarde van haar handen en bleef zitten. “De rouwperiode is voorbij?”
“Zoiets.” Hij ging op de rand van de steiger zitten, benen bungelend boven het water. “Ik kom je iets vragen.”
“Geen bemiddeling meer. Afspraak.”
“Geen bemiddeling.” Hij grijnsde. Een echte, onbewaakte grijns die ze al jaren niet meer bij hem had gezien. “Ik wil jou vragen of je met me uit eten gaat.”
Lotte stopte met het verpotten van haar tijm. Ze keek hem aan alsof hij zojuist in het Engels had gevraagd of ze zijn onderzeeër wilde besturen.
“Dat meen je niet.”
“Ik meen het volkomen. Kijk.” Hij hield zijn handen op, palmen naar voren. “Ik ben weken bezig geweest met verwerken. Echt, écht verwerken. Ik heb met een therapeut gepraat, ik ben naar mijn broer in Gent gereden, ik heb het hele arsenaal afgewerkt. En elke keer als ik dacht: wat heb ik nou eigenlijk al die jaren gemist, kwam ik uit bij jou.”
“Daan…”
“Nee, laat me uitpraten. Jij was er altijd. Niet als reddingsboei, maar als de kust. De vaste wal. En ik was te blind om te zien dat ik niet wilde dobberen op zee. Ik wilde naar de haven. Nu vraag ik me alleen af of ik daar nog welkom ben.”
Lotte zette het potje tijm neer en stond op. Ze voelde haar benen trillen. Het was de trilling van een veer die te lang onder spanning heeft gestaan en nu, heel voorzichtig, wordt losgelaten. “Ik heb geen zin om de rebound te zijn, Daan. Als je nu tegen me zegt dat Sanne volgende week terugkomt en dat je haar nog een kans wilt geven, ga ik je eigenhandig over de reling kieperen.”
Hij lachte. “Dat snap ik. Dat zou ik ook doen.” Hij zette de bloemen en de bonbons neer en stak zijn hand uit, alsof hij haar wilde helpen met opstaan, ook al zat ze niet. “Eén etentje. Eén. Meer niet. Ik reserveer bij Carmel, aan het water. Vis, wijn, en als jij na twee gangen besluit dat ik niet deug, dan loop je weg en doe ik geen moeite meer.”
Ze nam zijn hand aan. “Eén etentje.”
—
Het werden er dertien voor het einde van de zomer. Ze spraken af in kleine restaurants, picknickten in het Rembrandtpark, maakten tochten met zijn oldtimer door het Twentse landschap. Lotte hield hem op afstand, stelde vragen die ze altijd al had willen stellen. Wat vind je het engste aan liefde? Wat doe je het liefste op zondagochtend? Word je wakker met spijt over dingen die je tegen haar zei?
Op een avond eind augustus, toen ze terugliepen over de Magere Brug, bleef hij plotseling staan. “Ik wil niet meer terug naar hoe het was,” zei hij. “Ik wil vooruit. En ik wil jou naast me. Niet als tweede keus, maar als de enige die ik nooit durfde kiezen.”
Ze kuste hem. Midden op de brug, onder het witte houten baldakijn, met de lichten van de rondvaartboten die de gracht in goud verfden. Het voelde niet als vuurwerk. Het voelde als thuiskomen na een lange reis, de deur openen en ontdekken dat er al die tijd iemand de planten water had gegeven.
—
Een half jaar later trouwden ze in het stadsarchief van Amsterdam, met alleen haar moeder en zijn broer als getuigen. Geen toeters, geen taart zo groot als een badkuip, geen witte jurk die meer kostte dan een scooter. Een strak, kobaltblauw mantelpakje dat Lotte zelf had ontworpen en laten maken bij een atelier in de Pijp. Daan droeg een eenvoudig grijs pak met een lavendelkleurige corsage.
Twee weken na de bruiloft stond ineens Sanne op de steiger. Lotte zag haar door de patrijspoort en zette zich schrap. Maar Sanne huilde niet. Ze had haar haren kortgeknipt — een stijlvol, asymmetrisch model — en droeg een overall met verfspatten.
“Ik kom niet om te klagen,” zei ze. “Ik kom zeggen dat de salon draait. Hij draait, Lotte. Ik heb een boekhouder genomen en een bedrijfscoach en ik werk zestig uur per week en het is verdomme zwaar. Maar hij draait.” Ze stak haar linkerhand op. Om haar pols zat helemaal geen Maurice Lacroix, maar een simpel leren bandje met een zilveren knoopje.
“Ik ben blij voor je,” zei Lotte.
Sanne grijnsde, een beetje scheef. “Weet je, hij is veel te braaf voor mij. Altijd al geweest. Ik ben meer het type orkaan. Maar jij… jij bent de dijk.” Ze draaide zich om, de loopplank af, en Lotte hoorde haar roepen: “Hou hem warm voor me!”
Lotte lachte. Ze liep naar binnen, waar Daan aan de kleine eettafel zat met zijn laptop en een kop koffie. “Was dat Sanne?” vroeg hij zonder op te kijken.
“Orkaanwaarschuwing voorbij,” zei Lotte. “Het wordt zonnig.”
Hij keek op en glimlachte. Buiten schoven de wolken open en viel het namiddaglicht in banen over hun tafel. Lotte pakte zijn kop koffie, nam een slok, en gaf hem terug. Precies zoals ze het wilde. Precies zoals het hoorde.
