Wat de kaneelappels van Bettien Kloosterhuis me leerden

Kaneelappels op dinsdagochtend

Ik werk al eenentwintig jaar als thuiszorgmedewerker in Zwolle, en in die jaren kom ik bij zoveel mensen over de vloer dat de meeste gezichten na verloop van tijd vervagen. Bettien niet. Haar adres stond op mijn rooster op de dinsdagochtend, een galerijflat aan de rand van Assendorp, derde verdieping, geen lift die het ooit haalde zonder te kraken.

Ze is drieëntachtig. De eerste keer dat ik binnenkwam, verwachtte ik het bekende decor: een kamer met de tv aan voor het geluid, een vrouw die wachtte tot er iemand langskwam om tegen te praten. In plaats daarvan trof ik haar aan met haar handen diep in een schaal appels, bezig om ze in dunne partjes te snijden voor de oven, kaneel al klaarliggend in een oud jampotje zonder etiket.

"Ga zitten," zei ze, zonder op te kijken. "Of help. Maakt me niet uit welke."

Haar man Dieudonné was vijf jaar eerder overleden, een hartinfarct op de parkeerplaats van de Jumbo aan de Assendorperstraat, terwijl hij de boodschappentassen in de kofferbak zette. Ze vertelde het me pas maanden later, terloops, terwijl ze de vaatwasser inruimde. Geen drama in haar stem. Alleen een feit dat bij haar leven hoorde, zoals het jaartal op een oude foto.

Haar dochter Marloes woont in Deventer, amper drie kwartier rijden, en belt elke zondagavond om acht uur — ik weet het omdat Bettien het me een keer liet zien op haar ouderwetse Nokia, de belgeschiedenis, stipt als een kerkklok. Haar zoon Robert-Jan zit in Almere en komt met zijn kinderen langs met Sinterklaas en met Pasen. Ze vertelt over hen met een glimlach die niet gespeeld is, maar ze vraagt nooit waarom ze niet vaker komen. Ze verwacht het gewoon niet.

Toen ik haar op een dag vroeg of ze zich niet eenzaam voelde, al die uren alleen in dat flatje met uitzicht op een rij fietsenstallingen, zette ze het mes even neer en keek me recht aan.

"Weet je wat mensen bedoelen als ze dat vragen? Ze bedoelen: hoor je 's avonds niemand ademen naast je. Nou, dat hoor ik niet, nee. Maar ik hoor mezelf wel weer denken. Na vijfenveertig jaar hoef ik niet te raden wat een ander wil eten, wil zien op tv, of wil dat ik zeg. Ik kook aardappelpuree met te veel boter omdat ík dat lekker vind. Niemand die zegt dat het ongezond is."

Ze had zes jaar voor haar moeder gezorgd voordat die stierf, daarna voor Dieudonné toen zijn knieën het lieten afweten, en daartussenin voor drie kinderen die nu allemaal hun eigen huis, hun eigen hypotheek, hun eigen ruzies met hun partners hebben. Bettien noemt dat nooit een opoffering. Ze noemt het gewoon: haar leven, het deel dat achter haar ligt.

Een klein voorval van vorig jaar november staat me nog helder bij. Ik kwam binnen en zag dat ze de verwarming laag had staan, een dikke wollen vest aan, een kop koffie koud geworden op het aanrecht. Ze was in slaap gevallen in haar stoel bij het raam, een roman van Renate Dorrestein opengeslagen op haar schoot. Ik wilde haar wakker maken uit bezorgdheid, maar bedacht me. Ze zag er niet verwaarloosd uit. Ze zag eruit als iemand die simpelweg moe was geworden van het lezen en had besloten dat een dutje op dat moment belangrijker was dan de thermostaat.

Toen ze wakker werd, zei ze: "Ach, heb ik zitten suffen? Dat mag. Niemand die op me wacht met een verwijt."

Haar buurvrouw, mevrouw Ankersmit uit de flat ernaast, vertelde me ooit dat ze Bettien had aangeraden om te verhuizen naar een aanleunwoning bij een verzorgingshuis in Zwolle-Zuid. Veiliger, zei ze. Gezelschap in de gemeenschappelijke ruimte, activiteiten op woensdagmiddag, een alarmknop om de hals. Bettien had beleefd geluisterd en er nooit meer over gesproken. Ze wilde geen alarmknop. Ze wilde haar eigen keuken, haar eigen appelschaal, haar eigen rust die ze zelf had gekozen.

Het conflict kwam pas echt boven water toen Marloes op een zondag, in plaats van te bellen, met de trein kwam. Ik was er toevallig, want ik had die dag geruild met een collega. Marloes had een map bij zich — ik zag het logo van een makelaarskantoor uit Deventer op de kaft — met brochures van drie verzorgingshuizen, foto's van kamers met een balkonnetje en een paniekknop naast het bed.

"Mama, ik maak me zorgen. Stel dat je valt. Stel dat er iets gebeurt en niemand het weet."

Bettien luisterde rustig, schonk koffie in, zette het schaaltje met stroopwafels op tafel zoals ze altijd deed voor bezoek. Toen zei ze:

"Marloes, jij hebt je hele leven een moeder gehad die alles regelde. Nu wil ik een leven waarin ik alles zelf regel. Dat is geen straf voor jou. Dat is een cadeau voor mij."

Ze pakte de map niet aan. In plaats daarvan liep ze naar de la van het dressoir, de la die ze altijd op slot had, en haalde er een dun mapje uit met haar eigen handschrift op de voorkant: "Voor later, als het zover is." Daarin zaten haar wensen, netjes uitgetypt op de oude typemachine die nog van haar moeder was geweest — geen verzorgingshuis, wel thuiszorg zolang het kon, en een notariële volmacht die ze twee jaar eerder bij de notaris aan de Diezerstraat had laten opstellen, zodat niemand later hoefde te gokken wat ze zou hebben gewild.

"Dit is mijn beslissing," zei ze tegen haar dochter, "netjes op papier, getekend, gedateerd. Niet omdat ik jullie liefde niet vertrouw. Maar omdat ik mijn eigen stem wil laten horen, ook als ik hem straks niet meer kan gebruiken."

Marloes werd er stil van, sloeg de map met brochures dicht en legde hem niet meer terug op tafel. Ze bleef die middag langer dan gepland, at mee van de appeltaart die inmiddels uit de oven kwam, en toen ze wegging omhelsde ze haar moeder net iets steviger dan anders.

Sindsdien is er niets meer gezegd over verzorgingshuizen. Marloes belt nog elke zondag om acht uur. Robert-Jan komt nog met de kinderen met Sinterklaas. En Bettien snijdt nog steeds haar appels op dinsdagochtend, kaneel uit hetzelfde jampotje, terwijl de galerij buiten naar natte jassen en fietsbanden ruikt.

Laatst, toen ik wegging, zag ik haar bij het raam staan met een kop koffie, haar blik op de fietsenstalling beneden, waar een kind zijn band aan het oppompen was. Ze zwaaide even naar me, ik zwaaide terug, en ik liep de trap weer af naar mijn volgende adres, terwijl achter me de deur van nummer negen in het slot viel.

Like this post? Please share to your friends:
Mass Effect
Leave a Reply

;-) :| :x :twisted: :smile: :shock: :sad: :roll: :razz: :oops: :o :mrgreen: :lol: :idea: :grin: :evil: :cry: :cool: :arrow: :???: :?: :!: