Op het bankje voor de portiekflat aan de Rietdekkerstraat in Rotterdam-Zuid zaten ze vrijwel elke middag: Ria, Miep en Bep. De zelfbenoemde nieuwsdienst van de galerij. Ze wisten altijd alles eerder dan de buurtapp. Hun nieuwste project was de man op nummer acht. Maarten. Tweeënveertig, een paar maanden geleden komen aanwaaien. Geen vrouw, geen kinderen, geen bezoek. En elke ochtend en avond liep hij zijn rondje met een plastic tas vol blikjes kattenvoer en brokken voor de straathonden. Verder deed hij niets. Praatte met niemand. Giechelde alleen wat als ze hem nariepen.
‘Daar gaat-ie weer, Don Quichot,’ kirde Ria meestal als hij de deur uit stapte. ‘Windmolens worden het vandaag niet, schat. Wel schurftige katten.’
Maarten glimlachte dan en liep door. Dat glimlachje dreef de dames tot waanzin. Hij had toch minstens rood moeten aanlopen, iets terug moeten snauwen? Maar hij deed het niet. Nooit.
Wat niemand op het bankje wist: Maarten had vier jaar geleden zijn vrouw Elise, zijn kinderen Tim en Lotte, zijn moeder én hun hond Boris en kat Minoes verloren. Een kettingbotsing op de A16 in de dichte mist. Sindsdien woonde hij alleen, met een hoofd dat niet meer tegen stilte kon. Het huis in Barendrecht had hij verkocht, de spullen weggedaan. Alleen deze kleine benedenwoning had hij nog, met uitzicht op het bankje en de vuilcontainer. De katten en honden van de straat waren zijn enige gezelschap. Als hij ze voerde, werd de knoop in zijn borst even losser. Leek het alsof Tim en Lotte vanuit de lucht naar hem zwaaiden.
Ria en Miep vonden het vooral irritant dat al die beesten rond de flat hingen. Twee keer hadden ze iemand op hem afgestuurd. Eerst een paar opgeschoten neefjes van Miep. Die kwamen met blauwe plekken thuis en wilden er niet over praten. Maarten had ooit aan zelfverdediging gedaan – daar hield hij niet van, maar het lichaam onthield het nog. Daarna een dronken buurman van nummer twaalf, Henk, die de grootste mond had van het hele portiek. Henk had op een vrijdagavond na een krat pils het lumineuze idee om Maarten eens stevig aan te pakken. Dat eindigde met Henk die languit in de bosjes lag en Maarten die rustig verder ging met het bijvullen van een kattenbakje.
Sindsdien was het alleen nog gescheld vanaf de veilige afstand van het bankje.
Het ongeluk gebeurde op een zaterdag begin maart. Geen mist, maar een gure wind. Henk had de hele nacht doorgehaald met een paar oude vrienden en was tegen elf uur ’s ochtends op weg naar huis om een nieuwe fles jonge jenever te halen. Maarten stapte net de portiek uit, een tas Whiskas onder de ene arm, zijn krukloze zelfverzekerdheid onder de andere. Henk stak pardoes een been uit. Geen woord. Geen waarschuwing. Een flauwe grijns, een schuine beweging. Maarten smakte van drie treden op het harde trottoirtegels. De pijn flitste zo witheet door zijn rechterbeen dat hij even geen lucht kreeg.
De ambulancebroeder zei: ‘Dubbele breuk in het scheenbeen. U komt er met gips en zes weken wel doorheen, meneer.’
Zes weken. Maarten keek naar het plafond van het Ikazia Ziekenhuis en dacht aan de hond die altijd bij de bushalte wachtte. En de rossige kat die achter de glasbakken sliep. Hij slikte.
Toen hij thuiskwam met krukken en een dik gipsbeen, bleek de supermarkt een expeditie. Hij stond bij de Jumbo op de hoek van de Saftlevenstraat met een halfvolle tas, klam van het zweet, en keek naar de resterende driehonderd meter alsof het de Nijmeegse Vierdaagse was. Uitgerekend Bep – de zachtste van de drie roddeltantes – kwam op dat moment naar buiten met een karretje.
Ze bleef staan. Zuchtte. ‘Je lijkt wel een zielige reiger op één poot. Geef hier die tas.’
Mopperend liep ze mee naar zijn voordeur. Eénmaal binnen keek ze schichtig om zich heen. Het was er kaal en schoon, bijna monnikachtig. Ze zette koffie, roerde in een pannetje soep en begon verwijtend zijn aanrecht te dwellen. ‘Wat moet jij nou, man alleen?’
Maarten keek haar aan, hakkelde even, en vroeg toen iets wat hij aan geen levende ziel had durven vragen. ‘Zou u… twee keer per dag de katten en honden hierachter kunnen voeren? Het voer ligt in die kast. Ik kan nu niet. En het helpt me. Echt.’
Bep snoof. ‘Als de meiden op het bankje dit horen, word ik vierkant uitgelachen. Je bent niet goed snik, Don Quichot.’
Maar ze nam de sleutel aan.
Vanaf de volgende ochtend, om half zes, sloop Bep de deur uit. Ze droeg een oude regenjas van haar overleden man, propvol blikjes. Ze schrok van elke fietsbel. Als een geheim agent verdween ze tussen de schuttingen, voerde een paar schichtige katten en een hond met maar één oor, en glipte weer naar binnen. ’s Avonds, als de straatlantaarns net aansprongen, herhaalde ze het ritueel, terwijl Ria en Miep naar het journaal zaten te kijken.
Binnen een week merkte ze dat het bankje haar begon te vervelen. Het gesprek over de dochter van de bovenbuurvrouw, de cholesterol van de huisarts, de nieuwe auto van de wijkagent – ineens klonk het hol. Ze verzon steeds vaker smoesjes om eerder weg te gaan. ‘Ik heb suiker vergeten.’ ‘Mijn oven staat nog aan.’ Ze schaamde zich voor de smoesjes, maar de beestjes hadden haar nodig. En ergens, heel diep, had zij hen ook nodig.
Na vier weken mocht Maarten het gips laten vervangen door een loopbeugel. Hij hinkte moeizaam, maar kon weer zelf voeren. Bep deed alsof het haar niks deed, maar haar hand trilde toen ze hem de reservesleutel teruggaf. ‘Nou,’ zei ze, ‘ik hoef zeker niet meer uit bed te komen voor jouw zwervertjes.’ Maarten pakte haar hand en zei: ‘Ik blijf u dankbaar, Bep. U hebt ze gered.’
Op de eerste dag dat hij weer alleen de ronde deed, stond er een oude zwerver bij het bankje. Ria en Miep waren net naar binnen gevlucht voor een regenbui. De man zat op een opgevouwen slaapzak, een dunne, versleten jas om zijn schouders. Hij rilde. Zijn haren piekten vettig onder een verstelde muts en zijn handen waren gebarsten van de kou.
Maarten stopte. ‘Opa? Hier, neemt u mijn jas maar. Ik woon hier vlakbij, ik heb er nog een.’
De zwerver tilde langzaam zijn hoofd op. Maarten kreeg het even benauwd – de ogen. Ze waren ontzaglijk groot, bijna onnatuurlijk lichtblauw. Alsof de lucht van een voorjaarsochtend erin gevangen zat. Zo’n blauw dat nergens bij paste.
‘Ik neem jouw jas aan,’ zei de man, met een stem die klonk als grind op oud leer. ‘Op één voorwaarde. Dan neem jij de mijne. In mijn binnenzak zit een cadeautje. Voor jou.’
Hij stond op, trok zijn kapotte jas uit en hield hem open alsof het een mantel was. Maarten aarzelde. Toen knoopte hij zijn eigen warme winterjack los en wikkelde het om de schouders van de oude man. De zwerver sloeg hem vriendschappelijk op de arm, mompelde ‘Tot ooit’, en liep de regen in, de hoek om. Tegen de tijd dat Maarten zijn naam wilde vragen, was de straat leeg.
Thuis hing hij de smerige jas aan de kapstok en dacht er niet meer aan. Tot drie weken later, op een zaterdagavond. Hij zat op de bank naar de uitslag van de Staatsloterij te kijken, een oude gewoonte waarvan hij niet eens wist waarom hij die had gehouden. De presentator noemde de winnende reeks: 4, 11, 19, 27, 33, 42. Maarten verstijfde. Die getallen. Die getallen kende hij. Niet uit een droom, niet van een verjaardag – uit de jas. Hij had ze eerder die week in het borstzakje gevoeld, een papiertje, en niet bij stilgestaan.
Hij strompelde naar de kapstok, peuterde de binnenzak open. Een verfrommeld lot, oud, een beetje vettig. Dezelfde zeven cijfers. 7,5 miljoen euro. Zijn hart bonsde in zijn slapen. Hij knipperde met zijn ogen, bekeek het lot, het scherm, het lot. Trillend dronk hij een glas water.
Het geld kwam, netjes en onopvallend. Maarten bleef wonen op nummer acht, met dezelfde meubels, dezelfde kat op de vensterbank. Maar hij kocht stilletjes een sleutelklare pied-à-terre aan de Leuvehaven, twee kamers met uitkijk op de Erasmusbrug, en op een middag belde hij bij Bep aan. Ze deed open in haar ochtendjas, verbaasd, want de roddeltantes zaten al op hun post.
‘Don Quichot, wat versier jij nou?’
Hij drukte de huissleutel in haar hand. ‘Het is van u, Bep. Voor de katten. En de honden. En de soep.’
Bep staarde naar de sleutel, naar het adreskaartje, naar zijn gezicht. Een ogenblik stond ze sprakeloos. Toen biggelden er tranen over haar wangen, terwijl ze uitbracht: ‘Jij bent echt de grootste gek die ik ooit heb meegemaakt, weet je dat? Een Don Quichot in een gipspoot.’
Maarten lachte en haalde zijn schouders op.
Sindsdien is hij in de buurt niet meer ‘die rare kattenman’. Miep en Ria noemen hem nu met een schuin oog ‘de excentrieke miljonair’ en knikken respectvol als hij langskomt. Henk, die nog steeds op vrijdag te diep in het glaasje kijkt, steekt schielijk de straat over zodra hij Maarten ziet. Maarten zelf merkt het nauwelijks. Hij haalt elke ochtend zijn blikjes uit de kast en loopt zijn vertrouwde ronde. De eenorige hond is er nog, de rossige kat achter de glasbak ook. Hij kijkt nog steeds naar boven, naar waar zijn kinderen ooit zwaaiden.
En elke keer als hij een oude man ziet met een grijze haardos, versnelt hij zijn pas. Hij zoekt nog altijd de zwerver met de hemelsblauwe ogen. Niemand heeft hem ooit meer gezien. Op de hoek van de Saftlevenstraat, waar hij ooit stond, ligt nu alleen een verbleekt krantenknipsel van die loterijweek.
Vanochtend, toen hij een schoteltje neerzette, keek een jonge meeuw hem aan met een bijna te fel blauw glinsteroog. Maarten glimlachte en hield zijn pas in.
