Het regende die vrijdagochtend met bakken uit de hemel, alsof de lucht boven Utrecht er ook eens goed voor wilde gaan zitten. Op de vierde verdieping van de portiekflat aan de Oudenoord stond Felix met een half opgedroogde kop koffie in zijn hand en keek naar de voordeur alsof hij verwachtte dat die elk moment uit zijn sponningen kon barsten. Het gebons stopte. Twee seconden stilte. Toen het metalige gerinkel van een sleutel die in het slot geschoven werd – tevergeefs, want hij had gisteravond het cylinder vervangen. Felix zette de koffie neer, veegde zijn handen af aan zijn spijkerbroek en deed open.
Daar stond ze. Jolanda de Vries. Zeventig jaar, strak permanent, jas van de V&D die nog uit de jaren negentig stamde, en een plastic Albert Heijn-tas waarin haar pantoffels zaten. Ze had haar schoenen al uitgetrapt voor de deurmat, alsof ze bij haar eigen voordeur stond.
„Doe niet zo moeilijk, Felix. Je wist dat ik vandaag zou komen.”
Ze stapte langs hem heen de gang in, liet haar jas op de kapstok vallen zonder te kijken of hij bleef hangen, en wurmde haar voeten in de pantoffels. De verwarming sloeg aan met een tik. Felix bleef staan met zijn hand nog op de klink.
„Jolanda, waar heb je het over?”
„De woning.” Ze liep de woonkamer in en liet haar blik over de eettafel glijden, waar de krant van gisteren nog lag. „Marieke heeft ruimte nodig. Echte ruimte. Ze kan niet met een baby in dat benauwde appartement van haar en Ruben blijven zitten.”
Felix voelde hoe de spieren in zijn kaak zich spanden. Marieke was zijn ex-vrouw. Twee maanden geleden had ze hem ingeruild voor Ruben, een personal trainer met een instagramaccount vol quotes over mindset en een buikspierkorset dat hij zelf een sixpack noemde. Ze had hem verteld dat ze zwanger was op de dag dat ze de echtscheidingspapieren ondertekenden. Felix herinnerde zich hoe ze daar in het gemeentehuis aan de Ganzenmarkt stond, met een andere man aan haar arm, en met een strak gezicht zei: „We gaan trouwen, Felix. Echt trouwen. Dit keer zonder twijfels.”
„Marieke is hier al anderhalf jaar weg,” zei hij en hij wees naar de muur waar een lichte rechthoek nog aangaf waar hun trouwfoto had gehangen. „Ze heeft haar spullen meegenomen. Haar fiets, haar boeken, de halve inboedel. Wat moet ze hier nog?”
„Haar eerlijke deel.” Jolanda trok een keukenstoel naar zich toe en ging zitten zonder te vragen. Ze vouwde haar handen voor zich op tafel alsof ze een vergadering opende. „Dit appartement is van jullie samen gekocht. Dat weet jij net zo goed als ik. En nu Ruben en Marieke een kind krijgen, hebben ze recht op een fatsoenlijk thuis. Jij bent alleen. Jij kunt best iets voor jezelf huren in Leidsche Rijn of ergens in Lunetten. Mijn dochter kan niet met een baby de trap op en af in dat studiootje van ze.”
De regen kletterde tegen het raam. Felix dacht aan de hypotheek die hij drie jaar bijna in zijn eentje had betaald omdat Marieke haar baan bij de makelaardij was kwijtgeraakt en daarna een half jaar yoga-opleiding was gaan doen die ze na drie weken weer had laten vallen. Dacht aan de zaterdagen dat hij overwerkte bij de Belastingdienst in de binnenstad terwijl zij uitsliep. Dacht aan het berichtje dat hij had gevonden op haar telefoon, die ze had laten liggen op het nachtkastje: „Vanavond weer bij mij, schat? Mijn vrouw is niet thuis.”
„Jolanda,” zei hij en hij bleef staan, bewust niet aan tafel, „het huis staat nog steeds op twee namen, maar de scheiding is bijna rond. Mijn advocaat heeft alle betalingsbewijzen. Ik heb de afgelopen drie jaar vijfendertigduizend euro aan lasten alleen gedragen. Marieke heeft er drieduizend ingestopt. Als zij de helft wil, mag ze eerst de helft van die achterstand ophoesten.”
Jolanda’s mond verstrakte tot een dunne streep. „Je moet niet zo lelijk doen over geld. Mijn dochter heeft altijd voor je gezorgd. Ze heeft je tien jaar lang verdragen terwijl jij alleen maar op dat kantoor zat en haar geen kind kon geven.”
Die woorden bleven hangen in de lucht als sigarettenrook. Felix had ze al vaker gehoord, in verschillende vormen, maar ze kwamen elke keer even hard aan. Marieke was twee keer zwanger geraakt in die tien jaar. Twee keer was het misgegaan na acht weken. De gynaecoloog in het Diakonessenhuis had gezegd dat het niet aan hem lag, niet aan haar, gewoon pech. Maar voor Jolanda was pech nooit een acceptabel antwoord. Die zocht schuldigen.
Op dat moment begon zijn telefoon te trillen. Het toestel lag op het aanrecht in de keuken, met het scherm omhoog. Felix zag de naam oplichten: Marieke. Al de twaalfde keer sinds zeven uur vanochtend. Hij had niet opgenomen. Hij was er klaar mee om haar stem te horen, die halve weekendstem waarmee ze hem had wijsgemaakt dat Ruben gewoon een vriend was.
„Neem toch op,” snauwde Jolanda. „Dat ding gaat al de hele ochtend af. Waarschijnlijk wil Marieke weten of je al aanstalten maakt om te vertrekken.”
Felix liep naar de keuken, pakte de telefoon en drukte de groene knop in. Hij zette het gesprek op de speaker.
„Felix?” Mariekes stem klonk als een radiozender met teveel ruis. Ze hijgde. Op de achtergrond hoorde hij verkeer, een trambel, de stad. „Felix, godzijdank dat je opneemt. Ik sta op het Neude en ik heb geen idee waar ik heen moet.”
Jolanda’s gezicht verstarde. Ze stond half op van haar stoel, haar mond al geopend om iets te zeggen.
„Wat is er gebeurd?” vroeg Felix, terwijl hij zijn stem vlak hield.
„Ruben.” Marieke snikte. „Hij heeft me eruit gegooid. Vanmorgen. Ik was nog maar net wakker of hij had mijn koffers al in de hal gezet. Hij zei dat hij het niet meer zag zitten met mij. Dat het kind… het kind is niet van hem. Hij zei dat hij een ander heeft. Iemand van zijn sportschool. En Felix, het geld… weet je nog dat ik mijn spaargeld van de gezamenlijke rekening had gehaald voor de babykamer? Hij heeft alles meegenomen. Alles. Ik heb nog twaalf euro op mijn rekening. Ik heb niet eens geld voor de bus naar moeder.”
Jolanda’s pantoffels maakten geen geluid meer. Het enige wat je hoorde was het zachte tikken van de verwarming en het geroezemoes van de regen.
„Marieke,” zei Felix langzaam, „je had zestigduizend euro van onze rekening gehaald. Zestigduizend. Daar hebben we samen acht jaar voor gewerkt. Je zei dat het voor de nieuwe start was. En nu is het op?”
„Hij heeft het overgeschreven! Hij wist mijn pincode! Felix, ik dacht dat hij van me hield…” Haar stem brak. „Kun je alsjeblieft… kun je me komen halen? Ik moet ergens slapen vannacht. Ik zweer je, ik was blind. Ik wist niet wat ik deed. Jij bent altijd de beste voor me geweest. Dat weet ik nu. Jij bent de enige echte man die ik ooit heb gehad.”
Jolanda stond nu volledig overeind. Ze keek naar de telefoon alsof het een slang was die zojuist had gesproken. „Marieke,” fluisterde ze hees, „waar heb je het over? En de bruiloft dan? De babykamer? Ik zou vandaag nog behang uitzoeken. Groen met witte streepjes, had je zelf gezegd.”
„Mama?” Mariekes stem sloeg over. „Mama, wat doe jij bij Felix?”
Jolanda greep naar de rand van de tafel. Felix zag hoe haar vingers zich om het hout klemden, de knokkels wit. De regenjas was van haar schouder gegleden en lag nu op de vloer.
„Ik ben hier gekomen omdat jij zei dat je dit appartement nodig had,” zei Jolanda, en haar stem klonk opeens veel ouder. „Je zei dat Felix weg moest. Dat je recht had op je eerlijke deel. Ik heb de pantoffels speciaal voor vandaag gekocht, bij HEMA.”
Felix nam de telefoon in zijn hand en bracht hem dichter naar zijn mond. „Marieke, luister goed. Je kunt niet terugkomen. Dit huis is niet meer van ons. Mijn advocaat heeft vanmorgen de papieren ingediend bij de rechtbank. De rechter bepaalt of jij nog ergens aanspraak op hebt, en op basis van de afschriften die ik heb, is dat antwoord nee.”
Hij zweeg even en keek naar Jolanda, die inmiddels haar tas tegen haar borst geklemd hield alsof ze probeerde iets vast te houden wat al lang gevallen was.
„Je moeder zit hier,” vervolgde hij. „Ze kan je komen ophalen. Ze heeft een auto, een Opel Corsa uit 2008, geparkeerd voor het Griftpark. Daar past jouw koffer ook wel in. En dan kun je met haar mee naar haar appartement in Overvecht. Daar is een logeerbed. Daar kun je slapen. En morgen kun je dan verder kijken.”
Hij verbrak de verbinding. Het toestel werd zwart.
Jolanda stond nog steeds bij de tafel. Ze keek naar de deur, daarna naar haar plastic tas, daarna naar haar schoenen die nog buiten op de mat lagen. Ze had geen haast. Het duurde zeker een halve minuut voordat ze bewoog, alsof haar lichaam eerst moest verwerken wat haar oren net hadden gehoord.
Ze bukte, raapte haar jas van de vloer, trok de pantoffels uit en duwde ze in de tas. Toen stapte ze de gang in, wurmde haar voeten in haar schoenen, en deed de deur open. Ze zei niets. Geen sorry, geen uitleg, geen laatste blik. Alleen het geloei van de wind in het trappenhuis, en toen de bons van de deur die in het slot viel.
Felix ademde uit. Zijn koffie was koud geworden op het aanrecht. Hij goot hem in de gootsteen, draaide de kraan open en keek naar het water dat de donkere resten wegspoelde. Op het balkon zat Minoes, de gestreepte kat die hij een half jaar geleden uit het asiel had gehaald, te schuilen onder het afdakje. Ze keek naar binnen met die onverstoorbare blik die katten nu eenmaal hebben – alsof ze wilde zeggen: had je dat nou nog niet door?
De maanden daarna regende het vaak, maar het werd ook lente. Eind maart stonden de krokussen in het Griftpark weer in bloei en was de scheiding uitgesproken. De rechter had in Felix’ voordeel beslist. Het appartement aan de Oudenoord werd volledig aan hem toegewezen, op voorwaarde dat hij Marieke een compensatie van zevenduizend euro betaalde – een fractie van wat ze had geëist. Zijn advocaat, een jonge vrouw met een scherp oog voor cijfertjes, had elk bankafschrift van de afgelopen tien jaar op tafel gelegd, en het plaatje was hard: Felix had betaald, Marieke had ontvangen. Zelfs Jolanda’s brief aan de rechtbank, waarin ze schreef dat haar dochter ‘altijd het hart op de juiste plek had gehad’ en dat Felix ‘een koude, berekenende man was’, had geen indruk gemaakt.
Marieke zelf zag hij nog twee keer. De eerste keer stond ze bij de bushalte op het Neude, dezelfde plek vanwaar ze hem had gebeld die vrijdag. Ze droeg een versleten spijkerjas en hield een kartonnen bekertje koffie vast. Toen ze hem zag aankomen op de fiets, deed ze een stap naar voren, haar mond al in een halve glimlach geplooid. Felix fietste door zonder te stoppen. Hij zag in zijn achteruitkijkspiegel hoe ze haar arm liet zakken en naar de grond keek.
De tweede keer was twee weken later, bij de Albert Heijn aan de Amsterdamsestraatweg. Ze stond bij de groenteafdeling, met een mandje waar één brood in lag. Haar buik was inmiddels duidelijk zichtbaar. Ze opende haar mond om iets te zeggen, maar Felix liep langs haar heen naar de kassa, betaalde zijn boodschappen, en liep naar buiten. Hij hoorde de glazen deuren achter hem dichtschuiven. Het was alsof heel Utrecht even stilviel.
Jolanda belde nog één keer. Een kort, stijf telefoontje op een dinsdagavond in april.
„Felix, ik wilde alleen zeggen…” begon ze, en ze zweeg toen vijf seconden.
„Ja?”
„Dat de plant die je ooit voor mijn verjaardag had meegenomen, die begonia, nog steeds in de vensterbank staat. Hij bloeit elk jaar twee keer.”
Felix wachtte op het vervolg, maar dat kwam niet. Alleen de klik van de verbinding die verbroken werd.
Hij zat die avond op zijn balkon, de kat op zijn schoot, en keek naar de verlichte ramen van de flats aan de overkant van het water. De begonia had hij vier jaar geleden bij Intratuin gehaald, voor twaalf euro vijftig, omdat hij zich had laten ompraten door een medewerker met modder op haar knieën. Jolanda had hem een maand later bij het grofvuil gezet, vertelde ze toen hij ernaar vroeg. Te veel blad, zei ze. Te rommelig.
Hij glimlachte. Minoes spinde. Binnen op het aanrecht lag de sleutelbos van de voordeur, met een nieuw sleutelhangertje dat hij vorige week had gekocht in de stad – een klein, houten tulpje. De oude sleutel, die Marieke nog had, was allang niet meer geldig.
