Puur geluk voor Sander, terwijl Merel bij het graf blijft staan

Ik heet Sander en ik was tweeëntwintig toen ik voor het eerst zag hoe iemand kan rouwen zonder ooit los te laten. Dat was op Terschelling, in een strandtent met plastic stoelen en een menukaart vol gebakken vis. Ik zat daar met een pilsje, alleen, net terug van een weekje surfen dat eigenlijk bedoeld was om Fleur uit mijn hoofd te krijgen. Vier jaar samen, en toen ineens een appje: het voelde niet meer goed. Klaar. Ik had een studio geboekt in het enige hotel op het eiland met wifi die het deed, en verder had ik niks te doen dan wandelen en mezelf zielig vinden.

Op de derde avond zag ik haar. Ze zat op het terras naast een oudere vrouw, roerde in haar thee zonder ervan te drinken, en staarde naar de duinen alsof daar iets lag wat niemand anders kon zien. Ze droeg een te grote wollen trui, augustus of niet. Ik dacht: die is met haar moeder op vakantie. Pas later hoorde ik dat het haar schoonmoeder was — of eigenlijk, de moeder van een man die er niet meer was.

De volgende ochtend liep ik haar tegen het lijf bij de kiosk, waar ze een fles water kocht en te weinig geld bij zich had. Ik legde er zeventig cent bij. Ze zei niet eens dank je wel meteen, ze keek eerst naar de munten in mijn hand alsof ze uitrekende of ze het ooit terug kon betalen.

"Je hoeft niks terug te geven," zei ik. "Het is zeventig cent, geen hypotheek."

Ze lachte, kort, alsof ze het bijna vergeten was hoe dat moest. Ik vroeg hoe ze heette. Merel, zei ze. Ik vertelde dat ik uit Zwolle kwam, rechten had gestudeerd aan de Radboud en nu bij de gemeente Kampen werkte, vergunningen, saai maar het betaalde de huur. Ze vertelde niet veel. Alleen dat ze hier was met de moeder van — en toen stopte ze, alsof het woord "vriend" of "verloofde" ergens in haar keel bleef steken.

Ik moet toegeven dat ik nieuwsgierig werd, niet alleen omdat ze mooi was — dat was ze, met die sproeten op haar neus en dat haar dat nooit goed zat — maar omdat er iets niet klopte. Een vrouw van tweeëntwintig die op vakantie gaat met de moeder van haar overleden vriend, terwijl die vrouw zelf nog een man en een andere zoon thuis heeft zitten. Ik snapte er niks van. Ik was gewoon een jongen die net gedumpt was en wilde iets voelen wat niet met Fleur te maken had.

We spraken elkaar nog twee keer voor ze wegging. Op de veerboot terug — wij zaten toevallig op dezelfde overtocht naar Harlingen, ik naar het autoluik, zij naar binnen omdat ze zeeziek werd — vertelde ze eindelijk het hele verhaal. Haar vriend Bram, negenentwintig, was op een bouwplaats in Eemshaven aan het werk geweest, hoogspanningswerk, drie keer modaal per maand, en was van een mast gevallen na een stroomstoot. Ze had het gehoord via zijn collega, niet via de politie, niet via familie. Ze zei dat ze sindsdien elke zondag bij zijn moeder, Ineke, langsging. Dat ze samen naar de begraafplaats in Kampen gingen, dat ze samen zwegen in de keuken, dat Ineke haar had meegevraagd naar Terschelling omdat ze "iemand nodig had die het snapte."

Ik vroeg haar recht op de man af: "En jij? Wie snapt jou?"

Ze had geen antwoord. Ik gaf haar mijn nummer, niet om te versieren — dat kwam later pas bij me op — maar omdat ik het gevoel had dat iemand het moest vragen.

We appten. Eerst over niks, over series, over het weer in Kampen versus Zwolle. Toen over Bram, over Ineke, over hoe die vrouw haar bleef bellen op maandagavond om te vragen of ze al zwanger was geweest van Bram, of ze misschien toch iets over het hoofd had gezien. Ik las die berichten en voelde iets kriebelen wat op boosheid leek, al ging het me niks aan.

In oktober zag ik haar weer, in Zwolle, bij de Broerenkerk waar toevallig een boekenmarkt stond. Ze was alleen. We dronken koffie bij een tentje op het Grote Kerkplein en ze vertelde dat Ineke haar had gevraagd of ze niet "gewoon met Jesse zou kunnen kijken" — Jesse, de jongere broer van Bram, tweeëntwintig, nog aan het studeren. Alsof je een boedel kon herverdelen. Ik zag haar handen trillen om het kopje.

"Ze wil me niet loslaten," zei ze. "Ze denkt dat ze zo Bram nog een beetje vast kan houden."

Ik zei niks verstandigs terug. Ik zei alleen: "Jij bent geen erfstuk, Merel."

Dat werd de zin die ze later, veel later, terug zou halen.

We werden geen stel meteen. Dat moet ik eerlijk zeggen — ik wilde niet de man zijn die in het gat van een dode sprong. Ik nodigde haar uit voor gewone dingen: naar de film in Hedon, een keer schaatsen op de ijsbaan bij de Ceintuurbaan toen het vroeg vroor die winter, een verjaardag van mijn zus in Deventer. Ze zei steeds ja, en steeds vaker bleef ze langer plakken dan nodig was.

Rond kerst kreeg ze weer een appje van Ineke: of ze met kerst kwam, "net als vorig jaar, de familie moet bij elkaar blijven." Merel belde me huilend op, niet omdat ze verdrietig was om Bram — dat verdriet zat er nog, dat verdwijnt niet in vier maanden — maar omdat ze het gevoel had dat ze zichzelf verloor in het rouwen van een ander.

Ik zei tegen haar wat ik denk dat iedereen had moeten zeggen, ergens rond haar twintigste levensjaar al: "Je mag verder. Dat is geen verraad."

Ze ging die kerst niet naar Ineke. In plaats daarvan kwam ze bij mijn ouders in Zwolle, at stamppot met mijn moeder en werd binnengehaald alsof ze er al jaren bij hoorde. Op tweede kerstdag reed ze zelf naar Kampen, alleen, naar het graf van Bram op de begraafplaats aan de Cellesbroeksweg. Ik ging niet mee — dat vroeg ze niet, en ik drong niet aan.

Wat er daarna gebeurde, hoorde ik pas weken later, in stukjes, tussen andere gesprekken door. Ineke had haar daar getroffen, bij het graf, en had haar verweten dat ze "hem al vergeten was, na amper een halfjaar." Merel had toen, voor het eerst sinds de begrafenis, teruggepraat. Ze had gezegd dat ze Bram nooit zou vergeten, dat ze hem elke dag miste, maar dat ze niet van plan was haar hele leven aan een graf te slijten om Inekes verdriet draaglijk te houden.

In januari nam Merel een besluit dat, denk ik, meer lef vergde dan alles wat ze daarvoor had gedaan. Ze regelde bij de notaris in Kampen een verklaring van afstand voor het studiefonds dat Bram voor haar had geopend bij de Rabobank, achtduizend tweehonderd euro, gespaard van zijn hoogspanningswerk, bedoeld voor "later, als we trouwen." Ineke had haar gebeld dat dat geld "in de familie moest blijven, voor Jesse's studie." Merel liet het rekeningnummer overschrijven naar Jesse, tot de laatste cent. Geen ruzie, geen dreigement — ze belde de bank, tekende het formulier, en stuurde Ineke een appje: "Het geld is voor Jesse overgemaakt. Ik stop met bellen op maandag."

Ze veranderde ook haar telefoonnummer, niet uit wraak, maar omdat ze wist dat ze anders elke maandagavond weer zou opnemen.

Ik was erbij toen ze het bevestigingsmailtje van de bank op haar telefoon liet zien, aan de keukentafel in mijn oude studentenkamer in Zwolle. Geen triomf op haar gezicht, geen verdriet ook — gewoon een vrouw die een rekening sloot die niet meer van haar was.

Ineke belde nog één keer, een paar weken later, op mijn nummer, dat ze via via had gekregen. Ik nam op. Ze vroeg of Merel "nou echt met een ander" was. Ik zei dat Merel gelukkig was, en dat dat niet hetzelfde was als ontrouw aan Bram.

Ze hing op zonder iets terug te zeggen.

Merel en ik trouwden twee jaar later, in de Bovenkerk in Kampen, met precies vierendertig gasten en een taart van de bakker aan de Oudestraat. Ineke kwam niet. Jesse stuurde een kaart, kort, met daarop alleen: "Gefeliciteerd. Bedankt voor het geld, ik kon er mijn eerste jaar rechten van betalen." Meer niet.

Nu, terwijl ik dit typ, ligt onze zoon Thijs te slapen boven, drie maanden oud. Op de vensterbank staat nog steeds die foto van Terschelling die ik toen met mijn telefoon nam, zonder dat ze het wist — Merel op het terras, in die te grote trui, kijkend naar de duinen. Ze weet niks van geluk dat je verdient hebben moeten om te mogen houden. Ze heeft het gewoon, op een dinsdagavond, met een handtekening bij de notaris, teruggepakt.

Like this post? Please share to your friends:
Mass Effect
Leave a Reply

;-) :| :x :twisted: :smile: :shock: :sad: :roll: :razz: :oops: :o :mrgreen: :lol: :idea: :grin: :evil: :cry: :cool: :arrow: :???: :?: :!: