—
De sleutel die nog steeds past — maar niet meer bij mij
Al jaren komen mijn kinderen "even langs" – met de was, met de kleinkinderen, om potten jam te halen. Op woensdag liet ik door Gerrit van de vierde het slot vervangen. Diezelfde avond stond mijn zoon beneden bij de intercom te bellen: "mam, mijn sleutel doet het niet!" Hij doet het prima. Alleen is het jouw sleutel niet meer.
Twintig minuten stond Robbert voor de deur voordat hij eindelijk belde. Eerst hoorde ik geschuifel, dan het draaien van een sleutel – één keer, twee keer, drie keer. Uiteindelijk mijn telefoon. Ik nam niet meteen op. Ik stond in de gang, twee meter van die deur, met een mok Pickwick-thee in mijn hand en een hart dat behoorlijk te snel klopte voor iemand die naar eigen zeggen een rustige, doordachte beslissing had genomen.
"Mam, er zit iets vast," zei hij toen ik eindelijk opnam. "Ik kom er niet in."
"Weet ik, jongen. Ik heb het slot laten vervangen."
Stilte aan de andere kant. Zo'n stilte alsof de verbinding was verbroken. Maar dat was niet zo. Ik hoorde zijn ademhaling en de wind op het portiek. Flat in Buitenveldert, vijfde verdieping, de lift stond weer eens stil, dus Robbert was waarschijnlijk buiten adem van de trap. Hij was drieënveertig, werkte als installateur, en zijn conditie was zo alsof hij het woord "wandelen" nog nooit gehoord had.
"Hoe bedoel je, vervangen? Waarom?"
"Ik doe wel open, maar eerst praten we door de telefoon. Dat gaat makkelijker."
"Mam, ik heb een volle wasmand in de auto staan. Sanne staat beneden met de kinderen te wachten."
Precies. Sanne stond beneden met de kinderen, met twee tassen vieze was, en waarschijnlijk ook nog met een doos waarin ik straks een kapotte broodrooster zou aantreffen, of een telefoon met een gebarsten scherm – "want mama begrijpt dat soort dingen wel, mama lost het wel op." Zo ging het al jaren. Sinds Kees was overleden.
Mijn man is zes jaar geleden overleden. Alvleesklierkanker, drie maanden tussen de diagnose en de begrafenis. Kees werkte veertig jaar bij het GVB, een stille, degelijke man met principes. Zolang hij leefde, kwamen de kinderen als gasten – ze belden een dag van tevoren, deden hun schoenen uit in de hal, brachten een appeltaart mee. Na zijn dood veranderde er iets. Alsof met Kees ook de grenzen verdwenen waren.
Eerst was het Ingrid, mijn oudste dochter. Kapster in Amsterdam-West, gescheiden, met de puberende Daan. Een week na de begrafenis kwam ze "even langs" en bleef vier dagen. Daarna werd het structureel: op zaterdagochtend een sleutel in het slot, rumoer in de gang, een stem die riep "mam, ik ben het, blijf maar liggen!" – terwijl ik allang wakker lag, met bonzend hart, omdat er iemand mijn huis binnenkwam zonder te kloppen.
Robbert was erger. Hij kwam met zijn vrouw en twee kinderen – Fleur en Bram – op zondag voor een lunch die niemand had aangekondigd maar iedereen verwachtte. Sanne zette de kinderen aan tafel en zei: "Oma, is er erwtensoep?" Oma was drieënzestig, had twee kunstknieën, en erwtensoep groeide niet aan een boom – maar er was altijd wel iets. Omdat ik het maakte. Omdat dat makkelijker was dan uitleggen dat ik geen cateringbedrijf runde.
Toen kwam de was erbij. "Mam, onze wasmachine is stuk" – dat was in december, twee jaar geleden. De wasmachine van Robbert en Sanne ging stuk in december en herstelde zich op wonderbaarlijke wijze niet in maart, niet in mei, niet in augustus. In september kocht ik ze een nieuwe. Van mijn eigen geld. Van mijn AOW plus dat kleine beetje pensioen dat na Kees toch al niet veel voorstelde. Ik dacht dat daarmee het onderwerp gesloten was. Een week later stond Sanne weer in mijn gang met een tas was. "Want die van ons wast zo raar, mevrouw Bouwman, niet zoals die oude Miele van u."
Gerrit is mijn buurman van de vierde. Gepensioneerd slotenmaker, weduwnaar, een goeie man. Soms drinken we koffie, soms een potje jokeren. Hij was degene die het vorige week hardop zei, bij de koffie: "Corrie, die kinderen van jou komen niet zomaar langs. Die kinderen van jou worden binnengelaten."
Ik wilde beledigd zijn. Echt waar. Maar het lukte me niet, want Gerrit had gelijk. Ze hadden sleutels. Ze kwamen wanneer het hun uitkwam. Ze haalden weckpotten uit de kelder. Ze lieten vuile vaat achter. Ingrid had ooit mijn winterjas geleend "even, want die van mij is vies" en gaf hem twee maanden later terug met een afgescheurde knoop. En ik kon geen "nee" zeggen.
Want hoe zeg je "nee" tegen je eigen kinderen? Hoe wijs je kleinkinderen af? Kees kon het wel. Kees zei: "Robbert, bel eerst" – en Robbert belde. Kees zei: "Ingrid, een wasmachine kost driehonderd euro bij de Mediamarkt, ga zelf maar" – en Ingrid ging. Maar Kees was er niet meer, en zes jaar lang had ik niet geleerd om Kees te zijn.
Zondagavond, de dag ervoor, kwam Ingrid langs voor potten appelmoes. Zonder te bellen. Ik had koorts, lag in bed, in mijn pyjama, met de thermometer onder mijn arm. Ik hoorde de sleutel in het slot en kreeg bijna een hartverzakking. Ingrid kwam binnen, zag me liggen en zei: "Mam, waarom is het hier zo donker? Ik ga naar de kelder, pak drie potten, doei!" Ze vroeg niet eens wat er scheelde. Ze voelde niet eens of ik koorts had.
Ik lag daarna in het donker en huilde. Niet van verdriet. Van woede. Op hen en op mezelf. Vooral op mezelf. Want ik had ze dit zelf geleerd. Zes jaar knikken, zes jaar erwtensoep op afroep, zes jaar "natuurlijk jongen, laat die was maar staan." Dat had ik zelf gecreëerd.
Dus belde ik woensdagochtend Gerrit. Hij kwam met een nieuw slot, een accuboormachine en een pak stroopwafels. Het klusje duurde een uur. Hij gaf me drie sleutels. Eén stopte ik in mijn tas, één in de la van het dressoir, de derde gaf ik aan hem – voor het geval ik zou vallen of hulp nodig had. Hem vertrouwde ik. Niet omdat hij een man was. Omdat hij klopte.
En nu stond ik in die gang, telefoon tegen mijn oor, en luisterde naar het zwijgen van mijn zoon.
"Mam," zei hij uiteindelijk. "Wil je me niet binnenlaten?"
"Ik wil het wel, Robbert. Maar ik wil dat je eerst belt. Ik wil dat je vraagt of het uitkomt, of ik er de energie voor heb. Ik wil dat jullie deze flat behandelen als mijn huis, niet als een opslagruimte."
"Wat voor opslagruimte? Mam, waar heb je het over?"
"Ik zeg wat ik drie jaar geleden al had moeten zeggen."
Weer stilte. Toen hoorde ik Robbert tegen iemand praten – waarschijnlijk tegen Sanne via de intercom beneden: "Ga maar terug naar de auto. Mama doet niet open."
Doet niet open. Zo formuleerde hij het. Niet "mama wil praten", niet "mama vraagt of we voortaan van tevoren bellen." Mama doet niet open. Alsof ik me verschanste tegen een indringer.
Ik deed de deur open. Robbert stond op het portiek met de wastas naast zijn voet, rood aangelopen, met die blik in zijn ogen die ik kende sinds hij klein was – een mengeling van gekwetstheid en onbegrip. Precies zo keek hij ook toen ik in groep zes zijn fietssleuteltje afpakte vanwege een onvoldoende voor rekenen.
"Neem de was mee naar huis," zei ik. "Bel morgen en vraag of je zaterdag met de kinderen mag komen eten. Ik maak erwtensoep. Maar bel."
Hij pakte de tas. Hij zei geen "sorry". Hij zei geen "ik snap het". Hij zei alleen: "Weet Ingrid het al?"
"Die komt erachter zodra ze probeert de deur open te maken met haar sleutel."
Hij liep de trap af zonder iets te zeggen. Ik deed de deur op het nieuwe slot. Draaide de sleutel twee keer om. Zette thee voor mezelf. Ging aan de keukentafel zitten, waar drie schone bordjes lagen – want zonder erbij na te denken had ik gedekt voor de kleinkinderen, voordat ik me herinnerde dat er vandaag niemand zou komen.
Ik borg de bordjes weer op in de kast. Daarna haalde ik er één weer uit. Voor de zekerheid.
Er gingen drie dagen voorbij. Robbert belde niet. Ingrid belde niet. Stilte op de telefoon, stilte op het portiek, stilte in de flat. Precies de stilte die ik had gewild. En precies de stilte waarvan ik niet zeker wist of ik haar aankon.
Donderdagavond klopte Gerrit aan. Klopte – kwam niet zomaar binnen. Hij bleef in de deuropening staan en vroeg: "En, Corrie? Beter?"
Ik dacht even na.
"Ik weet het niet, Gerrit. Ik weet het echt niet."
Vrijdagmiddag, halfvijf, ging de telefoon. Robbert.
"Mam. Zaterdag, twaalf uur. Mag dat? Met Fleur en Bram."
"Dat mag. Bel maar aan als jullie er zijn."
"En… Ingrid vroeg of ze zondag potten mag komen halen. Ze zei dat ze eerst zou bellen."
Ik legde de derde sleutel, die van Gerrit, terug in de la naast de mijne. De eerste sleutel bleef in mijn tas. De tweede – de reservesleutel die ooit voor Robbert was geweest – sneed ik in tweeën met de schaar uit de keukenla en gooide in de vuilnisbak onder het aanrecht, tussen de theezakjes en de schillen van de appel die ik die ochtend had geschild. Zaterdag om twaalf uur ging de bel. Ik liep naar de deur, keek door het spionnetje, en zag Robbert staan met Bram op zijn arm en een bos anjers in zijn andere hand. Ik draaide het slot om en deed open.
