Ik heet Thijs, drieënveertig jaar, loodgieter in Almelo met mijn eigen bedrijfje. Marieke, mijn schoonmoeder, vertelt waarschijnlijk aan iedereen in de Twentse Zorgcentrale waar ze werkt dat ik een ondankbare schoonzoon ben die haar dochter heeft uitgebuit. Ik wil wel eens vertellen hoe het er bij mij vanuit zag, want zo simpel lag het niet.
Elf jaar geleden trouwde ik met Sanne. Haar moeder had toen net haar man verloren en zat alleen in een huurhuis aan de Rembrandtlaan. Ik vond het normaal dat we haar hielpen — ik ben zo opgevoed. Wat ik niet had verwacht, was dat "helpen" voor Marieke betekende: elke maand langskomen met een lijstje. De cv-ketel, de rolluiken, een lekkende kraan die ik gratis moest komen verhelpen tussen twee klussen door, terwijl mijn eigen klanten wachtten. Ik deed het, jarenlang, zonder er ooit een rekening voor te schrijven.
Toen kwam het punt waar het echt om draaide. Drie jaar geleden spaarden Sanne en ik voor een uitbreiding van mijn werkplaats aan de Weezebeeksingel — een tweede bus, gereedschap, een vergunning voor een extra loods. Zevenentwintigduizend euro hadden we opzij gezet, grotendeels uit een erfenis van mijn eigen vader. Marieke vroeg of ze het mocht "lenen" voor een operatie aan haar knie die de zorgverzekering niet volledig dekte. Ik zei ja, zonder iets op papier te zetten, want Sanne smeekte me: "Het is mijn moeder, Thijs, ze betaalt het terug."
Ze betaalde nooit iets terug. Sterker nog: op verjaardagen begon ze te vertellen dat het geld een cadeau was geweest, "omdat wij het toch breed hebben". Ik hield mijn mond. Mijn werkplaats bleef in de oude loods, met één bus, en ik nam elk weekend extra klussen aan om het gat te dichten.
Afgelopen juni veranderde er iets. Mijn moeder overleed, en bij de uitvaart in Hengelo zag ik Marieke voor het eerst in maanden. Ze kwam met een enveloppe — geen geld erin, maar een kaart waarin ze schreef dat ze hoopte dat ik "nu wat rustiger zou worden met die hebberigheid over geld". Ik stond op dat moment bij de kist van mijn moeder met in mijn handen een map vol papieren: de notariële afwikkeling van haar erfenis, waarin ook een deel voor Sanne en mij was bestemd.
Ik zei niets tegen Marieke, die dag. Maar twee weken later belde ik een notaris in Enschede. Ik liet een schuldbekentenis opstellen voor de zevenentwintigduizend euro, met daarbij de aantekening dat het bedrag binnen twaalf maanden terugbetaald moest worden, anders zou het via de kantonrechter worden opgeëist. Sanne huilde toen ik het document op de keukentafel legde naast de koffie, maar ze zette haar handtekening als getuige. Ik reed zelf naar de Rembrandtlaan, belde aan, en gaf Marieke de map met de twee exemplaren.
Ze las het, met haar leesbril op haar neus, aan de keukentafel waar ze al die jaren haar klusjeslijstjes voor mij had geschreven. "Je gaat je eigen schoonmoeder voor het gerecht slepen?" vroeg ze. Ik antwoordde dat ik helemaal niemand voor het gerecht wilde slepen — ik wilde gewoon mijn geld terug, net zoals zij ooit had gezegd dat ze zou doen.
Ze betaalde binnen acht maanden, in delen van duizend euro per maand, uit haar AOW en een klein pensioen. Geen bedankje, geen excuses. Maar de laatste term kwam op de rekening van mijn nieuwe loods binnen, drie weken voordat de vergunning voor de tweede bus werd goedgekeurd. Sanne en ik gingen er samen naartoe kijken, op een zaterdag met motregen, en ik zette mijn hand tegen de nieuwe stalen deur. Marieke stuurde die avond een appje: of ik nog tijd had om langs te komen voor de rolluiken. Ik heb het bericht gelezen en niet beantwoord — niet uit woede, maar omdat ik voor het eerst in elf jaar niet het gevoel had dat ik het moest doen.
