Het café aan de Nieuwstraat waar na zessen niemand meer kwam

Mijn eerste dienst in het eetcafé op de hoek van de Nieuwstraat en de Bierstraat viel in november, op zo'n avond waarop de ruiten beslaan en mensen liever onder een plaid thuis zitten dan de regen in te gaan. Ik was drieëntwintig, had net mijn opleiding horeca afgerond, en dit was mijn eerste baan na mijn diploma — ober op de avonddienst in een zaak die naar gebakken ui en oud hout rook.

We sloten om negen uur. Een kwartier voor sluitingstijd zat er nog één iemand in de zaal — een oudere vrouw in een grijze regenjas, bij het raam, haar handen om een kopje koffie dat allang koud was geworden. Buiten knipperde het neonbord van de apotheek aan de overkant.

De eigenaar, meneer Vermeulen, een man van weinig woorden en met weinig geduld, kwam achter de kassa vandaan, kauwgom achter zijn kiezen, en gooide zijn theedoek over zijn schouder.

"Die mevrouw blijft altijd tot we dichtgaan zitten. Ga maar zeggen dat het tijd is, we moeten sluiten."

Ik liep naar haar tafeltje. Ze merkte me niet meteen op — ze keek naar buiten, alsof ze verwachtte dat er zo iemand over de stoep zou lopen.

"Sorry mevrouw, we gaan zo dicht. Wilt u nog iets?"

Ze keek op. Haar stem klonk breekbaar.

"Ik wacht alleen maar… ook al weet ik dat hij niet meer komt."

Ik vroeg op wie ze wachtte.

"Op mijn zoon," zei ze en ze klemde haar handen steviger om het kopje. "We kwamen hier altijd samen, toen hij klein was. Hij bestelde altijd hetzelfde, appeltaart met slagroom. Nu heeft hij zijn eigen leven, zijn eigen gezin… hij is me vergeten."

Mijn moeder was overleden toen ik negen was, en mijn hele jeugd had in het teken gestaan van een soort honger — niet naar eten, maar naar iemand die op mij zou wachten. Ik veegde met mijn duim langs de rand van haar schoteltje, veegde een kring koffie weg die er niet meer was, en zei, zonder er goed over na te denken:

"Ik heb morgen vrij. Misschien… drinken we ergens een kopje koffie samen?"

Ze keek me even aan, alsof ze wilde weten of ik het meende. Toen stemde ze toe.

Ze heette Corrie. Ze woonde alleen in een flat aan de Spoorstraat, derde etage zonder lift, met uitzicht op een goederenspoor. We spraken af om elf uur bij het banketbakkerijtje verderop, waar een koffie drie vijftig kostte en geserveerd werd in porseleinen kopjes met een gouden randje. Vanaf die dag zagen we elkaar bijna elke dag — soms een uur, soms twee, na mijn dienst.

Ze vertelde me over haar jeugd in Rotterdam-Zuid, over haar man die op de scheepswerf werkte en aan een hartaanval overleed toen hun zoon vijftien was. Over hoe ze hem alleen had grootgebracht, hoe ze haar trouwring van haar moeder had verkocht om zijn studie in Utrecht te kunnen betalen. Haar zoon had nu een transportbedrijf, twee kinderen, een vrouw die — zo vertelde Corrie zonder wrok, maar met een vermoeide berusting — "niet graag naar haar schoonmoeder op bezoek ging".

Ik vertelde haar over mijn angsten, dat ik bang was dat niemand me ooit zou herinneren, over de lege kamer waar ik na mijn dienst naar terugkeerde. Ze luisterde zoals niemand ooit naar me had geluisterd, het kopje in beide handen, op het ritme van mijn woorden.

Ze begon me "jongen" te noemen. Ik bracht haar sinaasappels mee van de markt op het Stationsplein, omdat ze zei dat ze de geur ervan in de winter zo fijn vond. Op een dag bracht ik haar een oude cd-speler met liedjes van Willeke Alberti, omdat ze had verteld dat haar man die vroeger voor haar zong. Ze huilde bij de eerste tonen, met de rug van haar hand tegen haar wang gedrukt.

In maart werd ze vaker ziek. Een hoest die niet wegging, later benauwdheid. Ik bracht haar naar de spoedeisende hulp bij het ziekenhuis aan de Molenweg, zat de hele nacht op een plastic stoel op de gang, tot de arts een woord uitsprak dat ik niet wilde horen: longkanker, in een stadium te ver voor een operatie.

Ik bleef bij haar. Ik paste mijn rooster op het werk aan, meneer Vermeulen ging akkoord — zelfs hij leek het te begrijpen, al zei hij er niets over, behalve dat hij één keer een stuk appeltaart voor me op de toonbank liet liggen, "voor de mevrouw van het raam", ingepakt in een boterhamzakje.

Corries zoon kwam één keer langs, tien minuten, met een boeket dat vast bij een tankstation was gekocht. Hij zei dat hij "het hoofd niet meer bij elkaar kon houden met het bedrijf", kuste haar op haar voorhoofd en vertrok. Corrie zei niets, maar bleef lang naar de deur kijken waarachter hij was verdwenen.

In de laatste week van april, op een avond terwijl op de gang de tv een herhaling van een praatprogramma uitzond en buiten de zon achter de parkeerplaats van het ziekenhuis wegzakte, pakte Corrie mijn hand. Haar huid was inmiddels bijna doorschijnend, de aders donkerblauw en dicht onder het oppervlak.

"Zou je mijn zoon willen zijn?" vroeg ze.

Ik keek naar onze handen, naar het infuusslangetje dat langs haar pols liep.

"Jij bent… " Ik moest opnieuw beginnen. "Zo'n moeder had ik nooit. En jij — jij had zo'n zoon nodig. Dus ja. Goed."

We omhelsden elkaar — voorzichtig, want haar ribben deden pijn van het hoesten — en dat was ons laatste afscheid. Ze stierf in de vroege ochtend, terwijl ik ingedommeld was op de stoel, haar hand nog vasthoudend.

Bij de begrafenis waren alleen haar zoon, zijn vrouw en ik aanwezig. Na de plechtigheid kwam de zoon naar me toe, wilde me iets overhandigen — geen geld, maar een sleutel.

"Mama heeft twee maanden geleden haar testament laten wijzigen," zei hij, zonder me aan te kijken. "Ze heeft de flat aan de Spoorstraat aan jou nagelaten. De notaris heeft alles al klaarliggen, de akte ligt bij hem, je hoeft je alleen met je identiteitsbewijs te melden."

Ik wilde die flat niet. Maar ik ging naar de notaris, tekende, haalde de sleutels op — want Corrie had het zo gewild, dat ik niet zou weigeren wat zij zelf had besloten, toen ze dat nog kon.

Tegenwoordig woon ik op de derde etage zonder lift, met uitzicht op het goederenspoor. Op het dressoir staat de cd-speler met de liedjes van Willeke Alberti. Als ik van mijn dienst thuiskom, zet ik soms een plaat op, zet water op voor koffie, en ga bij het raam zitten met het kopje tussen mijn handen tot het koud is geworden.

Like this post? Please share to your friends:
Mass Effect
Leave a Reply

;-) :| :x :twisted: :smile: :shock: :sad: :roll: :razz: :oops: :o :mrgreen: :lol: :idea: :grin: :evil: :cry: :cool: :arrow: :???: :?: :!: