De eerste keer dat Jos de kraai zag, was na een plensbui die de hele nacht had geduurd. Hij reed de ochtendrit op lijn 91, van Apeldoorn naar Dieren. De wegen blonken nog zwart, uit de berm dampte een klamme nevel en het bladerdak langs de smalle N786 droop nog na. Het was kwart over zes.
Halverwege een flauwe bocht die hij blindelings kende — elke kuil, elke afgebroken tak — knalde er iets zwarts tegen de voorruit. Jos schrok zich een ongeluk en trapte op de rem. Achter hem schoven rugzakken tegen stoelleuningen en een oude vrouw sloeg met haar vlakke hand tegen het raampje.
Voor hem, inktzwart tegen het beslagen glas, hing een jonge kraai. De vogel klemde zijn klauwen in de raamlijst, sloeg wild met zijn vleugels en bleef daar zitten, alsof hij zich had vastgebeten. Eén rond oog keek strak door het glas. Niet naar de bus, niet naar het licht — recht naar Jos.
„Wat moet jij nou, malloot?“ mompelde Jos, terwijl hij de bus stapvoets liet uitrollen.
De kraai leek het te horen. Hij wierp zich nog één keer met zijn borst tegen de ruit, liet een veertje los dat aan de ruitenwisser bleef plakken, en vloog toen met een onregelmatige slag de bosrand in.
„Slecht voorteken,“ zei de oude mevrouw De Wit vanaf de derde rij. Ze sloeg snel een kruisje. „Als een vogel zichzelf tegen je raam gooit, staat er iemand op de weg te wachten die je nog niet kunt zien.“
„Na een onweer raken ze de weg kwijt,“ bromde Jos in zijn spiegeltje. „Gewoon de kluts kwijt, meer niet.“
De visser die met zijn hengelkoffer voorin zat grinnikte, maar de schoolmeid met haar koptelefoon trok bleek weg. Jos veegde de voorruit schoon, maar het zwarte oog bleef de hele rit in zijn achterhoofd hangen.
De volgende ochtend — precies dezelfde bocht, twee minuten later dan de dag ervoor — gebeurde het opnieuw. Weer die knal, weer dat zwarte gevaarte dat tegen het glas beukte, weer dat ene oog dat zich in hem vastpriemde. In de bus ontstond geroezemoes. De visser wees. Mevrouw De Wit begon aan een rozenkrans die ze uit haar jaszak haalde. Jos minderde vaart, maar reed door. Toen hij langs de volgende halte stilhield, keek hij even naar de veeg op de ruit: een grijze streep met een heel klein donsveertje.
„Meneer, u moet stoppen,“ zei de visser. „Dit is geen toeval meer.“
„En wat dan? Zet ik de bus in de berm tot de vogel klaar is met toneelspelen? Ik heb nog drie haltes.“
Toch wilde het ding maar niet uit zijn hoofd. Tussen de middag, terwijl hij stond te wachten bij het station, belde hij zijn vrouw. „Sandra, stel dat een kraai elke dag op hetzelfde punt precies voor je bus duikt…“ Maar voor hij de zin had afgemaakt, kraakte de mobilofoon en hing hij op.
De derde dag regende het niet. De zon brak net door het wolkendek toen Jos de bocht naderde. Hij had al gas teruggenomen, onbewust, zijn handen klam om het stuur. En jawel, daar zat de kraai, ditmaal kalm op een reflectorpaaltje alsof hij op hem wachtte. Zodra de bus tot op twintig meter was genaderd, vloog de vogel recht op hem af en landde met een harde tik pal in het midden van de voorruit.
Jos voelde zijn maag draaien. Iets in de manier waarop de vogel zijn vleugels uitsloeg en tegelijk met zijn snavel tegen het glas tikte — tik, tik, tik, alsof hij een signaal gaf — brak zijn routine. Hij keek in de spiegel naar de passagiers: een stuk of acht mensen, sommigen gebogen over hun telefoon, anderen keken angstig mee.
„Ik zet hem even stil,“ zei hij hardop, meer tegen zichzelf.
De bus kwam piepend tot stilstand in de berm, half op een graspol, net voor de bocht. Jos trok de handrem aan en stapte uit. De koude ochtendlucht sloeg in zijn gezicht. De kraai zat intussen op de weg, tien meter voor de bumper, alsof hij hem wenkte.
„Oké, wat wil je me laten zien…“ mompelde Jos terwijl hij voorzichtig naar voren liep.
En toen verstijfde hij.
Precies iets voorbij het punt waar de vogel zat, hield het asfalt op. Het wegdek was weggeslagen in een gapend, minstens anderhalve meter breed gat dat schuilging achter de bramenstruiken langs de bocht. De nachtelijke regen van twee dagen geleden had de grond onder de weg doen verzakken. De rest van het asfalt helde gevaarlijk over een modderige diepte waar beneden een beekje kolkte. Als hij vandaag met normale snelheid de bocht had genomen, was de bus met neus en al in dat gat gedoken. Geen remmen die dat hadden kunnen tegenhouden.
Jos’ benen trilden. Hij draaide zich langzaam om en keek naar de kraai, die hem nog steeds strak aankeek met dat zwartglanzende oog. Toen, alsof hij wist dat zijn taak volbracht was, spreidde de vogel zijn vleugels en verdween zonder geluid tussen de hoge eiken.
Bibberend liep Jos terug naar de bus en stapte in. Hij liet de deur dicht en greep de mobilofoon. „Centrale, Jos hier met de negen-een. De bocht bij Beekbergen is ingestort. We moeten omkeren, de hele weg is verraderlijk. Ik sta stil met passagiers, vraag assistentie.“ De stem aan de andere kant klonk verbaasd, maar bevestigde direct.
Toen pas draaide Jos zich om naar de passagiers. Mevrouw De Wit hield haar rozenkrans stil. De visser had zijn pet afgezet. De schoolmeid hield haar hand voor haar mond.
„We moeten achteruit de bocht uit,“ zei Jos kalm. „Er is een gat in de weg dat er gisteren nog niet lag. Ik zet de bus terug naar de vorige parkeerplaats, dan kunnen jullie daar uitstappen en komt er vervangend vervoer.“
Niemand mopperde. Terwijl hij de bus voorzichtig, centimeter voor centimeter, achteruit manoeuvreerde, keek hij nog één keer in de zijspiegel. Op het reflectorpaaltje zat de kraai weer, roerloos, als een baken.
Die avond zat Jos aan de keukentafel met een koud blikje bier. Sandra vroeg hoe zijn dag was geweest, maar hij schudde alleen zijn hoofd en zei: „Je gelooft het toch niet.“ Boven de tafel hing een flard van een nieuwsbericht op haar telefoon over de afgezette N786. Hij nam een slok en dacht aan het ene zwarte oog dat hem drie dagen lang had aangekeken.
De volgende ochtend reed hij voor het eerst sinds jaren met een extra blik in zijn spiegels langs die bocht. Het wegdek was afgezet met rood-witte linten, een wegomleiding stuurde hem rustig over een parallelweg. Van de kraai geen spoor. Maar toen hij langs het paaltje reed, hing er een glanzend, blauwzwart veertje aan de reflector, alsof iemand het er expres had vastgestoken.
Jos tikte even tegen zijn voorruit, precies op de plek waar de veeg nog net zichtbaar was, en reed verder.
